Artsen en gemeenten verzetten zich tegen hervorming acute zorg

Spoedeisendehulp Het ministerie van Volksgezondheid wil minder volwaardig uitgeruste spoedeisendehulpposten. Een slecht idee, vinden ziekenhuizen en gemeenten.

Nachtdienst op de spoedeisende hulp van het Jeroen Bosch Ziekenhuisin Den Bosch. Het ministerie van Volksgezondheid wil de acute zorg hervormen.
Nachtdienst op de spoedeisende hulp van het Jeroen Bosch Ziekenhuisin Den Bosch. Het ministerie van Volksgezondheid wil de acute zorg hervormen. Foto John van Hamond

Er bestaat steeds meer weerstand tegen een plan van het ministerie van Volksgezondheid om de acute zorg flink te hervormen. In een toekomstvisie beschrijven ambtenaren hoe ze een groot deel van de spoedeisendehulpposten willen veranderen in ‘spoedposten’. Het zou betekenen dat veel ziekenhuizen hun volwaardige spoedeisende hulp verliezen.

De afgelopen weken lieten ziekenhuizen, burgemeesters, artsen en verzekeraars van zich horen over het plan. Gemeenten en ziekenhuizen zijn bang hun spoedeisende hulp te verliezen. En artsen noemen het plan onverantwoord.

Maar volgens het ministerie is de spoedzorg aan hervorming toe: „Soms is het er te druk en soms te stil”. Ook is het steeds lastiger om voldoende personeel te vinden. En de zorg moet beter en betaalbaarder worden. De toekomstvisie – officiële naam: ‘Houtskoolschets acute zorg’ – zou een „doordacht, maar nog niet in beton gegoten” plan zijn.

De gedachte is dat een groot deel van de mensen die acute zorg nodig heeft, straks op spoedposten terechtkomt. De meeste spoedzorg is namelijk niet heel complex en „hoeft niet behandeld te worden in een volledig uitgeruste spoedeisende hulp waar verschillende medisch specialisten aanwezig zijn”, schrijft het ministerie. Voor hoogcomplexe of levensbedreigende zorg blijft er een (nog onbekend aantal) spoedeisende hulpen over, verspreid over het land. Nu al rijden ambulances sommige ziekenhuizen met een spoedeisende hulp voorbij en gaan naar een ziekenhuis dat hogere kwaliteit kan bieden bij bepaalde aandoeningen. Het ministerie wil dat dit in de toekomst veel vaker gebeurt.

Opgepoetste huisartsenpost

De grootste criticasters van het plan zijn artsen. Het plan is „potentieel levensbedreigend”, schrijft de vereniging van spoedeisendehulpartsen NVSHA. „Wij denken dat we met dit plan teruggaan van 80 volwaardige spoedeisende hulpen naar 30 à 40 stuks”, zegt vicevoorzitter David Baden.

Baden vreest dat die spoedposten niet veel meer zullen voorstellen dan huisartsenposten. De bedenkers van het plan hebben een denkfout gemaakt, volgens hem. „Ze gaan er vanuit dat 70 procent van de patiënten op de spoedeisende hulp laagcomplexe zorg nodig heeft. Dat klopt , maar wie dat zijn, weten we pas achteraf.”

Patiënten die naar de SEH komen, hebben geen diagnose op hun voorhoofd staan

Een voorbeeld: een 50-jarige man belt in paniek de meldkamer. Hij heeft buikpijn, is klam en zweterig, bijna flauwgevallen en denkt dat hij doodgaat. „De kans is groot dat hij geen ernstige aandoening heeft. Maar hij kán een gescheurde buikslagader hebben of een hartinfarct. Misschien blijkt het ‘slechts’ een niersteen. Maar dat weet je op dat moment niet.” Door zo iemand naar een spoedpost te sturen, verlies je kostbare tijd, zegt Baden. „Patiënten komen met een klacht naar de spoedeisendehulp, maar de diagnose staat niet op hun voorhoofd”, aldus de SEH-artsen van het Friese ziekenhuis Nij Smellinghe in reactie op het plan.

Het aantal spoedeisende hulpen daalde de afgelopen jaren al fors. In 2003 waren er 107, nu nog tachtig. Volgens Baden is al jaren sprake van een valse aanname: dat met minder spoedeisendehulpposten de kwaliteit en efficiëntie verbetert.

Roep om regie

Toch is het niet vreemd dat het ministerie met een plan komt. De roep om meer regie in de spoedzorg klinkt al jaren. Nu ontbreekt een centraal plan en mag elk ziekenhuis zijn eigen beleid voeren. Als regionale ziekenhuizen hun spoedeisende hulp sluiten vanwege de te hoge kosten, staan politici op hun achterste poten.

Zo nam de Tweede Kamer in 2018 een motie aan om de spoedeisende hulp in Lelystad te behouden na het faillissement van de IJsselmeerziekenhuizen. Toenmalig minister van Medische Zorg Bruno Bruins beloofde zijn „uiterste best” te doen. En toch verdween de laatste afdeling spoedeisende hulp en acute verloskunde daar.

Spoedeisende hulpen kampen al jaren met grote drukte

Hoewel de regio dus roept om meer regie, slaagt het ministerie er met dit plan niet in om gemeentes gerust te stellen: 28 burgemeesters van kleine gemeenten schreven gezamenlijk een bezorgde brief. Zij verwachten „grote maatschappelijke verontwaardiging” als het plan doorgaat , „zeker in coronatijd”.

Op zulke spoedposten, schrijven zij, kan het gebeuren dat „ernstige problemen niet worden herkend omdat de ervaring ontbreekt. Patiënten moeten dan met spoed overgeplaatst worden naar een verder weg gelegen spoedeisendehulp met alle risico's van dien.”

In Weert werd een petitie al meer dan twaalfduizend keer ondertekend. „Als de Haagse plannen voor centralisatie van de (spoed)zorg doorgaan, worden patiënten uit de regio straks niet meer in het Weerter ziekenhuis geholpen, maar in Eindhoven of Maastricht”, staat in deze petitie.

Nog meer kritiek

De Vereniging van Ziekenhuizen is ook kritisch. Spoedposten kunnen de spoedeisende hulpafdelingen van ziekenhuizen volgens hen niet vervangen. En verzekeraars zien een „uniforme herinrichting van het acute zorglandschap niet als oplossing”. Problemen zou je moeten oplossen met regionaal maatwerk, schrijft de branchevereniging. „In stedelijke gebieden wordt veel zorg verleend, zijn de afstanden klein en woont het meeste personeel. In landelijke gebieden is het zorgvolume lager, zijn de afstanden groter en is er minder personeel. Dat vraagt om verschillende oplossingen.”

Spoedeisende hulpen kampen al jaren met grote drukte. „We zien ongeveer twee miljoen mensen per jaar ”, zegt Menno Gaakeer, een spoedeisendehulparts die promotieonderzoek deed naar de acute zorg. „Eerst waren dat er twee miljoen op meer dan honderd afdelingen, nu op tachtig.”

Met behulp van huisartsen is het de afgelopen jaren steeds beter gelukt om aan de poort te selecteren bij wie echt spoed vereist is en bij wie niet. Door die betere selectie, en door vergrijzing, zijn patiënten die wél op de spoedeisende hulp komen steeds ‘complexer’: ze hebben vaak verschillende ziektes.

Het probleem is niet oplosbaar door het aantal afdelingen te verminderen, vinden de artsen. „Er is geen onderzoek waaruit blijkt dat met de reductie van het aantal spoedeisende hulpen de kosten zijn gedaald of de kwaliteit is verbeterd”, zegt Gaakeer. „Maar de drukte, met alle negatieve gevolgen van dien, is wél aantoonbaar toegenomen.”

Artsen zien liever dat de ‘uitstroom’ verbetert. Patiënten blijven nu vaak onnodig lang ‘steken’ doordat andere ziekenhuisafdelingen te vol liggen. En dat gebeurt ook om redenen die buiten het ziekenhuis liggen: te weinig bedden in het revalidatiecentrum en het verzorgingstehuis en te weinig thuiszorg.

Breder plan

De toekomstvisie van het ministerie van Volksgezondheid gaat niet alleen over de spoedposten. Voorgesteld wordt ook om mensen naar één nummer te laten bellen bij niet-levensbedreigende spoed. In zulke zorgmeldkamers kan dan worden gezocht naar de beste plek voor patiënten in de regio. Soms, schrijven ambtenaren, kan acute zorg ook thuis worden verleend. Bijvoorbeeld door een wijkverpleegkundige. „Als de situatie daar om vraagt, kunnen gespecialiseerde zorgprofessionals op afstand meekijken” met „digitale toepassingen”.

Over de zorgmeldkamers waarschuwt de Nederlandse Internisten Vereniging dat vergelijkbare modellen in het buitenland geen succes waren. „De invoering van één noodnummer in Kopenhagen heeft geleid tot meer bezoek aan de spoedeisende hulp” En in het Verenigd Koninkrijk namen patiënten volgens de artsen vaker het heft in eigen handen na de introductie van het spoedzorgnummer en meldden zich zonder verwijzing door een arts bij de spoedzorg.