In klokbekerdorpen kwamen de vrouwen van buiten

Archeologie Uit onderzoek op twee begraafplaatsen langs de Donau blijkt dat 4.000 jaar geleden echtgenotes nooit uit het dorp zelf kwamen.

Een klokbeker uit Straubing in Zuid-Duitsland, aan de Donau. Straubing ligt in dezelfde regio als de dorpen van de onderzochte graven.
Een klokbeker uit Straubing in Zuid-Duitsland, aan de Donau. Straubing ligt in dezelfde regio als de dorpen van de onderzochte graven. Foto Wolfgang Sauber (CC BY-SA 3.0)

Er waren ooit drie broers die samen een nieuw dorp stichtten. Eentje sterft jong. De andere twee sluiten huwelijksallianties met families in dorpen veel verderop, en het dorp blijft ruim honderd jaar, vier of vijf generaties lang, bestaan – bevolkt door hun nakomelingen. De dochters worden uitgehuwelijkt, de zonen blijven in het stamdorp en zij trouwen telkens opnieuw vrouwen die van buiten komen, daarmee telkens nieuwe allianties sluitend.

Zo luidt een van de familiegeschiedenissen die door een team van archeologen en genetici zijn gereconstrueerd op basis van analyses van ruim veertig graven in twee ruim vierduizend jaar oude begraafplaatsen in Alburg en Irlbach langs de Donau in Zuid-Duitsland. Het onderzoek onder leiding van Kristian Kristiansen (Universiteit van Göteborg, Zweden) en Volker Heyd (universiteit van Helsinki, Finland) toont de sterk patriarchale inslag van de dan in bijna heel Europa dominante klokbekercultuur (2700-2000 v.Chr.). Het is op 16 november gepubliceerd in PLOS ONE.

Een soort taboe

De klokbekercultuur is ontstaan uit de menging van de oudere neolithische akkerbouwculturen van boeren die al sinds 7.000 v.Chr. in Europa leven (en ooit uit Anatolië kwamen) en de meer op vee gebaseerde cultuur van mensen die in de eeuwen na 3000 v.Chr. uit de steppen rond de Zwarte Zee naar Europa kwamen en waarschijnlijk de Indo-Europese talen meenamen naar deze streken.

Die menging is terug te vinden in de dna-signaturen van de mensen in de twee begraafplaatsen, waarbij opvalt dat het mannelijk Y-chromosoom, dat uitsluitend via de vader overerft, uitsluitend van het steppetype is, een patroon dat ook is teruggevonden in andere gebieden in Europa en India (waar de steppevolkeren ook heengingen). In het uitsluitend via de moeder overerfbare mitochondriaal dna is juist een omgekeerd patroon gevonden: grote variëteit, bij de 34 mannen en vrouwen bij wie dit onderzocht was werden 23 verschillende zogeheten mdna-types gevonden. Vooral op deze patronen worden de conclusies over het huwelijkspatroon gebaseerd: mannen die in het dorp blijven en vrouwen die van buiten komen. Zo gevarieerd is die vrouwelijke lijn dat de onderzoekers zelfs vermoeden dat er een soort taboe bestond op het binnenhalen van meerdere vrouwen uit hetzelfde dorp, iets dat ook uit etnografie bekend is.

In ieder geval was de menging grondig: hoewel Irlbach en Alburg maar achttien kilometer van elkaar liggen was er niet één gemeenschappelijk mdna-type. Op grond van de evenwichtige verhouding tussen volwassen mannen en vrouwen op de begraafplaatsen denken de onderzoekers dat monogamie de regel was. In het op zich beperkte materiaal zaten ook geen halfbroers. Bij andere begraafplaatsen uit de klokbekercultuur, zoals bij Augsburg, werden vergelijkbare patronen gevonden. In graven van voor de komst van de steppevolkeren lijkt overigens een iets ander patroon te worden teruggevonden. In het 5.000 jaar oude massagraf in Koszyce, Polen, werden bijvoorbeeld vier families gevonden, met veel minder variatie in het mdna en ook verschillende halfbroers, met dezelfde vader en verschillende moeders.

Mannelijke macht

De dominantie van mannelijke macht (patriarchaat) wordt afgeleid uit het feit dat alle mannen in de graven familie zijn maar ook uit het feit dat de begraven kinderen vrijwel allemaal mannelijk zijn: een duidelijke bevoordeling van jongens, aldus de onderzoekers. Bij een van de jongens in de graven in Irlbach werd bij isotopenanalyse ontdekt dat hij een groot deel van zijn jeugd buiten het gebied had doorgebracht. De onderzoekers zien daarin een aanwijzing voor een pleegkinderensysteem: zonen ontvangen een deel van hun opvoeding bij bondgenoten buiten het dorp, bijvoorbeeld een broer van hun moeder, ter versterking van de onderlinge band.

Bij het onderzoek was ook betrokken de Leidse taalkundige Guus Kroonen, die tevens verbonden is aan de Universiteit van Kopenhagen. In de familiewoorden in het gereconstrueerde proto-Indo-Europees zijn ongeveer dezelfde patriarchale verhoudingen terug te vinden als in de graven van Alburg en Irlbach, zo schrijven de auteurs in PLOS ONE, met duidelijke termen voor de heer des huizes (*dems potis), zijn vrouw (*potnih2), zijn zonen (*suHnus), zijn ongetrouwde dochters (*dhugh2tér) én zijn schoondochters (*snusos). Voor de familie aan moederskant bestonden nauwelijks termen. Ook valt op dat in het proto-Indo-Europees het woord voor leiden en trouwen hetzelfde is, „wat suggereert dat de bruid van haar voorouderlijke huis wordt weggeleid naar het huishouden van haar nieuwe echtgenoot”.

Lees ook: De steppe-invasie in de Bronstijd Beluister ook de Onbehaarde Apen-podcast: Was er een Europese genocide in de bronstijd?