Soundscapes met welluidende walrussen

Het Meesterwerk Het kunstaanbod is schraal in coronatijd. Waarvan kun je, ook nu, nog wel genieten? NRC-recensenten gidsen je langs werken die afleiding bieden: tijdloos en coronaproof. Aflevering 7. Douglas Quin: Fathom.

Een walrus komt aan land, Bristol Bay, Alaska.
Een walrus komt aan land, Bristol Bay, Alaska. Foto Enrique Aguirre Aves

Is het een typemachine? Zijn het percussie-instrumenten? Een tikkende klank met galmende bijgeluiden opent het album Fathom van Douglas Quin. Het geluid intrigeert, het lokt, het roept vragen op. Luister ernaar zonder voorkennis en je wordt meegesleept in een helder klankenspectrum dat zich op de binnenkant van je schedeldak lijkt af te tekenen. Tiktiktiktiktik, toktoktoktoktok. Ratatatata, lijkt het op zeker moment te gaan, als de motoriek van een machinegeweer. Op de achtergrond klinkt gehuil, gejank, een dier in nood?

Douglas Quin (Boston, 1956) is geen muzikant maar een ontdekkingsreiziger. Hij componeert soundscapes, onder meer uit de geluiden die hij onder water en onder het ijs opnam bij zijn reizen naar Alaska en Antarctica. Zijn hydrofoon – een waterdichte microfoon – liet hij zakken onder het water- of ijsoppervlak. Op een vadem (1,8 meter) diepte nam hij geluiden waar van walrussen, orka’s, zeehonden, walvissen, kruiend ijs, woelend water en andere natuurverschijnselen. Uit die tapes stelde hij muziekstukken samen die uitblinken door hun georganiseerde ruimtelijkheid. Het is de muziek van donkere diepten, waar een mens niet zou kunnen overleven.

Quin gaf zijn geluidscollages geen titels, wel plaatsbepalingen. Op 59 graden noorderbreedte en 158 graden westerlengte registreerde hij de geluiden van beluga-walvissen aan de monding van de Nushagak-rivier in Alaska. Het klinkt als blaffen, piepen, loeien, afgewisseld met klotsend water en een fluitende geluid, mogelijk van de communicatie tussen walvissen. In twee andere stukken spinnen zeehonden, zwaardwalvissen en ijsschotsen hun duistere patronen van grommende, krakende en jengelende klanken. Op een zeker moment lijkt het of een zeehond een buitenaards geluid produceert. Het gaat van laag naar hoog en lijkt voor het menselijk oor op een elektronisch arpeggio.

Fathom is mooier dan 99 procent van de pop-, rock- en jazzplaten die ik ken. De schoonheid zit in de schijnbare willekeur van het natuurgeweld, dat door Quin werd geassembleerd tot een vorm van Musique Concrète. Pierre Henry en Karlheinz Stockhausen horen niet toevallig tot zijn muzikale voorbeelden. Quin dresseert zijn onzichtbare dieren tot een bonte onderwaterparade. Het zou door kunnen gaan voor new age-muziek, als het niet zo verontrustend had geklonken. Als ik genoeg heb van de ambientmuziek van Brian Eno en als gewone popmuziek me tot wanhoop drijft om haar voorspelbaarheid of gebrek aan durf, draai ik Fathom. Op een ouderwetse langspeelplaat, want een klein kraakje of een tik in het vinyl draagt bij aan de totaalervaring.

Dieren schrijven geen symfonieën, zegt Douglas Quin over zijn geluidsmanipulaties. Het kan een zeehond niks schelen of we het mooi vinden wat hij doet. Juist het wonderlijke, het ongrijpbare van klanken waarvan je niet weet hoe ze voortgebracht worden maken deze muziek zo verheffend. Er komt een vorm van activisme bij kijken, want Quin registreert bij voorkeur geluiden uit ecosystemen die met de ondergang worden bedreigd. Fathom is geen vrijblijvende luisterervaring, maar schept verantwoordelijkheden voor mensen die verder kijken dan de vogeltjes in hun achtertuin. Het is een zinnenprikkelende en misschien wel letterlijk geestverruimende ervaring. Nergens anders kun je een walrus zo welluidend op de binnenkant van je schedel laten kloppen.