In een Nederlandse roman vormen vrouwen vaak de spil van het verhaal

Literatuur Vrouwen en mensen met migratieachtergrond hebben als personage vaak een centrale rol in Nederlandse romans.

Roel Smeets analyseerde de personages in 170 inzendingen voor de Libris Literatuurprijs 2012
Roel Smeets analyseerde de personages in 170 inzendingen voor de Libris Literatuurprijs 2012

In Nederlandse literaire romans zijn personages vaker mannen dan vrouwen, maar dat betekent nog niet dat mannen ook de belangrijkste figuren zijn. Integendeel: vrouwen zijn vaker spilfiguren in de sociale netwerken binnen romans. Hetzelfde geldt voor personages met een migratieachtergrond: ze komen weinig voor, maar áls ze voorkomen, zijn ze belangrijke personages.

Dat zijn bevindingen van neerlandicus Roel Smeets (1991), die dinsdag promoveert aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Smeets onderzocht de personages en hun rollen in 170 Nederlandse romans met behulp van een computeranalyse.

Die vorm van literatuuronderzoek leerde hij zich aan in zijn onderzoeksmaster, in 2015 aan de Universiteit Utrecht, waar Lucas van den Deijl en Saskia Pieterse destijds de ‘Personagebank’ ontwikkelden – waarin alle romanpersonages uit een jaar op een sociologische manier werden gerubriceerd, naar geslacht, leeftijd, afkomst, opleidingsniveau. Smeets: „De diversiteitsdiscussie ging toen vaak over literaire instituties – prijzen, uitgevers en recensies – maar niet over fictie zelf. We zagen: als je gaat tellen, kun je nieuwe inzichten verkrijgen. Dat de meest voorkomende beroepen onder vrouwelijke personages ‘huisvrouw’ en ‘prostituee’ waren, bijvoorbeeld. Zo legden we bloot hoezeer het Madonna-hoercomplex, een concept uit de psychoanalyse, in de literatuur nog leidend was.”

Meerderheid man

Zestig procent van de personages was man, de diversiteit van romanfiguren is gering, schrijvers modelleren personages vooral naar zichzelf: dat waren destijds de conclusies uit een artikel waarvan Smeets co-auteur was. De telling suggereerde een conservatieve Nederlandse literatuur die een ouderwetse, dominant mannelijke status quo weerspiegelde. Het wekte ook wrevel in de literaire wereld: waren deze wetenschappers erop uit om mooie boeken te ‘ontmaskeren’ als niet-divers en seksistisch?

Hóe een personage voorkomt is ook van belang

Die beperking zag Smeets ook: romans werden tot cijfermatige gegevens teruggebracht. „Mijn proefschrift plaatst ook vraagtekens bij studies die alleen tellen”, zegt hij. „Mensen met een migratieachtergrond maken bijna 25 procent van de Nederlandse bevolking uit, terwijl 10 procent van de romanpersonages een migratieachtergrond heeft. Daar zie je onderrepresentatie. Maar hóé de personages voorkomen is ook van belang. Want áls ze voorkomen, bleek uit mijn onderzoek, hebben deze personages vaak een centralere positie dan de personages zonder migratieachtergrond.”

Smeets ontwierp software die de verhoudingen tussen personages kon analyseren in de tekst van 170 romans – de inzendingen voor de Libris Literatuurprijs over 2012. „Informatie over wie de personages zijn, dus hun geslacht of afkomst, kan de computer er niet uithalen, die moest ik handmatig invoeren. Vervolgens detecteert de software wel waar de personages in de tekst zitten. Als Henk samen met Jan in één zin staat, is er sprake van een relatie en zo tekent zich een sociaal netwerk af. Hoe vaker personages voorkomen in een zin, hoe sterker hun relatie is.”

Segregatie in het boek

Smeets verzamelde zulke gegevens voor alle romans en kon statistische conclusies trekken. Bijvoorbeeld dat personages met en zonder migratieachtergrond zelden met elkaar in contact komen – maar ze leven wel minder gesegregeerd dan in de Nederlandse samenleving. „In dat opzicht schetst de fictie toch een ander beeld. De grote vraag die eronder ligt is: in hoeverre biedt fictie een reflectie van de samenleving? Dat geeft inzicht in de rol en betekenis van literatuur.”

Is de literatuur daarmee ‘progressiever’ dan gedacht? Smeets aarzelt om daar een algemene uitspraak over te doen, „want uit mijn cijfers blijkt ook dat veel auteurs navelstaren, over personages schrijven die op hen lijken”. Voor die dubbelheid moest in zijn onderzoek ruimte zijn, zegt hij, omdat literatuur ook zo werkt: romans weerspiegelen de status quo én kunnen die ter discussie stellen. „Ik analyseerde bijvoorbeeld de roman Eus van Özcan Akyol, waarvan het hoofdpersonage niet in het hokje ‘migrant’ ingedeeld wil worden. Dat zegt iets interessants over mijn methode: de analyse leverde een statistische norm, maar individuele gevallen konden daar ook weer van afwijken.” In zijn proefschrift pendelt Smeets tussen statistiek en casestudy: meermalen confronteert hij de getallen met specifieke romans.

„Van oudsher zijn letterkundigen slecht in generaliseren: wanneer je een closereading-methode gebruikt, kies je een paar boeken die representatief zijn voor het punt dat je wilt maken en zoom je daarop in. Niet dat die analyse nutteloos is, maar dan kun je nog niet claimen iets te zeggen over de hele 20ste-eeuwse literatuur. Voor mijn vervolgonderzoek ga ik mijn methode toepassen op romans uit de jaren 1960 en 1900.”