Recensie

Recensie Theater

In ‘Drie Zusters’ zet Eline Arbo vraagtekens bij haperende emancipatie

In de radicale bewerking van Eline Arbo springt Tsjechovs ‘Drie Zusters’ door de tijd, tijdens vier feministische golven. Arbo benadrukt hoe pijnlijk onveranderlijk de ongelijkheid is waar de zussen mee te kampen hebben.

‘Drie Zusters’ van Anton Tsjechov, herschreven door Eline Arbo. Met Diewertje Dir, Sarah Janneh en Keja Klaasje Kwestro. Links: Matthijs IJgosse.
‘Drie Zusters’ van Anton Tsjechov, herschreven door Eline Arbo. Met Diewertje Dir, Sarah Janneh en Keja Klaasje Kwestro. Links: Matthijs IJgosse. Foto Sanne Peper

Wie denkt dat Tsjechovs Drie Zusters – dat stuk uit 1901 over die lijdzame vrouwen die het maar niet voor elkaar krijgen hun dromen te verwezenlijken – niets vertelt over deze tijd, komt na het zien van deze voorstelling bedrogen uit. Regisseur Eline Arbo maakt pijnlijk duidelijk dat we in Nederland de afgelopen 120 jaar nauwelijks stappen hebben gezet als het gaat om vrouwenemancipatie.

Drie Zusters is Arbo’s afscheidsvoorstelling na een zeer geslaagd ontwikkelingstraject bij Toneelschuur Producties. Ze viel daarin vrijwel meteen op als eigenzinnige theatermaker die zeer gedurfd met repertoire omspringt, getuige haar opvallend frisse bewerkingen van Goethes Het lijden van de jonge Werther (2017) en Camus’ De rechtvaardigen (2018). Haar theaterbewerking van Édouard Louis’ Weg met Eddy Bellegueule werd begin dit jaar een instant-theaterhit.

Interview met Eline Arbo: ‘Ik geloof echt dat theater de wereld kan veranderen’

Arbo onderzoekt grote maatschappelijke thema’s zonder daarbij de menselijke maat uit het oog te verliezen. Ze durft repertoire rigoureus om te buigen en kiest voor uitgesproken vormen, waarbij ze bovendien steeds een grote rol weglegt voor de (meestal live door de acteurs gebrachte) muziek van haar vaste componist Thijs van Vuure.

Allemaal kwaliteiten die ook nu weer gelden. Maar liefst 120 jaar bestrijkt haar hertaling van Tsjechovs stuk. De vier bedrijven spelen zich steeds af op momenten die we als feministische kantelpunten beschouwen, al zet Arbo daar met haar lezing grote vraagtekens bij.

In het eerste bedrijf bevinden de zussen zich in 1901, te midden van de eerste feministische golf. Olga, Irina en Masja (respectievelijk Keja Klaasje Kwestro, Diewertje Dir en Sarah Janneh) hebben daarin nauwelijks bewegingsvrijheid: ze zitten vastgesnoerd in nauwsluitende, bedekkende kleding. Ondertussen dromen ze er hardop van het plattelandsdorpje te verlaten en terug te keren naar hun geboortestad Moskou. Arbo plaatst een groteske speelstijl tegenover die melancholie: de verstikking ligt er duimdik bovenop, deze vrouwen snakken naar lucht en ruimte.

Het tweede bedrijf speelt zich halverwege de jaren zestig af, tijdens de tweede feministische golf. Vervolgens gaat ze via de jaren tachtig naar het laatste bedrijf in 2020. Arbo verweeft Tsjechovs plot met feministische thema’s die in die periodes actueel zijn, zoals vrouwenkiesrecht, seksuele emancipatie en gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Ze voegde personages samen en schreef nieuwe stukken dialoog. De zussen maakte ze zelfbewuster en assertiever, waardoor ze nog harder botsen tegen de beperkingen waar ze tegenaan lopen.

Arbo toont bovendien hoe de in toenemende mate heersende veronderstelling dat de emancipatie zijn vruchten afwerpt juist daadwerkelijke gelijkheid in de weg zit. Olga werkt op een gegeven moment als directrice op het plaatselijke gymnasium, maar kan het zich als vrouw eigenlijk niet permitteren te klagen over haar hoge betrekking. Veelzeggend is hoe hun broer Andrej (een heerlijk jankerige Sander Plukaard) ondertussen geen enkele moeite heeft zijn ambitie naar beneden bij te stellen. Zijn vrouw Natasja (Ntianu Stuger) wordt door de zussen beschimpt omdat ze niet werkt om de kinderen op te voeden; zelf noemt Natasja dat haar eigen keuze en dus juist geëmancipeerd. En Nikolaj (Matthijs IJgosse) kan met een dweperige gemakzuchtigheid verkondigen hoe graag hij zou willen werken – voor hem is de ambitie om te werken een puur esthetisch standpunt, dat niets te maken heeft met het doorbreken van systematische achterstelling. Ondertussen zijn de zussen overigens ook net zo goed onuitstaanbaar, onredelijk en bekrompen – dat is, tot op zekere hoogte, immers ieders recht.

Juist het accent op de snel veranderende tijdgeest waarin Arbo dit stuk situeerde, benadrukt hoe pijnlijk statisch de ongelijkheid is waar de zussen mee te maken krijgen. Dat wordt treffend vertaald in het toneelbeeld (Sarah Nixon). Aanvankelijk zitten de zussen opgesloten in een soort glazen kooi (waar de andere personages wél probleemloos in- en uitstappen). Maar naarmate het stuk vordert, breken die muren langzaam open. Toch lukt het ze niet de ruimte te verlaten.

Er is meer nodig dan het opengooien van de deuren of het aanpassen van wetten, zegt Arbo hiermee. Uiteindelijk is er behoefte aan het daadwerkelijk doorbreken van systemen, aan een substantiële cultuurverandering.

Arbo brengt hiermee een ideeënstuk dat vooral tot nadenken stemt, meer dan dat het aanspraak maakt op je gevoel. Net als in haar voorstelling De rechtvaardigen laat ze de personages op het einde commentaar leveren op het stuk. Want laten we wel wezen: naar Moskou moet je nu niet willen als het om vrouwenemancipatie gaat. Reykjavik is op dit moment de beste optie, volgens de wereldranglijst van gendergelijkheid – waar Nederland vorig jaar elf plekken op zakte, naar de 38e positie.

Aan het einde vuurt Stuger een lange reeks actuele feiten en cijfers af, waarin ze het „sprookje van gelijkheid” onverbiddelijk ontmantelt. Zo zwaait Eline Arbo bij Toneelschuur Producties af met een weinig hoopgevend slotakkoord.