Opinie

Zelfs nu weten we van geen ophouden

Rosanne Hertzberger

Het is november 2020. Er staat een file voor de parkeerplaats bij het strand van Hoek van Holland. Het is ongeveer het tiende weekend op rij met ‘heerlijk weer’ en met heerlijk weer binnen zitten is een soort misdaad tegen de menselijkheid. Dus is heel regio Rijnmond in zijn suv gestapt om zichzelf en zijn kinderen uit te laten. „Hup!”, riepen we in koor, pakten ons kroost bij de lurven en snoerden ze vast in hun stoeltjes. Lekker de benen strekken in de natuur.

Ik vond het als kind nooit lekker. God, wat had ik een hekel aan die eeuwige Biesbosch. Die dijken waar maar geen einde aan leek te komen. In een colonne met andere chagrijnige stadskinderen sjokkend op weg naar niets. In het bezoekerscentrum werd je nog lekker gemaakt met filmpjes over roofvogels en werden je allerlei spannende ontmoetingen met de kleurrijke natuur in het vooruitzicht gesteld. In werkelijkheid had je een urenlange barre tocht voor de boeg langs verlepte varens en treurige wilgen.

Gelukkig brak er dan een tijd aan, ver voor Sinterklaas, waar niemand meer met droge ogen kon beweren dat het ‘lekker’ uitwaaien was. Dan werd het guur, 4 graden, wind, regen, en mochten we de hele middag op zolder spelen.

Die tijd wil dit jaar maar niet aanbreken. Het is hartje november en 15 graden. Weer geen weer om binnen te zitten. Dus hup, we laten onszelf en onze kinderen maar weer een keer uit. Het is niet meer zo vrijblijvend als vroeger. Dertig jaar geleden had dat benen strekken in de vrije natuur vooral iets deugdzaams over zich, een gewoonte van evenwichtige mensen met goede smaak, een soort etiquette.

Nu is bewegen een plicht. Sta op en loop, roepen de wetenschappers. Het is onomstotelijk vastgesteld: van zitten word je ziek, van stilstaan ga je dood. Doordeweeks zie ik mijn thuiswerkende buurtgenoten met hun telefoon aan hun oor druk vergaderend door de buurt stappen, een doelloos rondje Heemraadssingel, en nog één, en nog één, als hamsters in een rad. Als de stappenteller het maar registreert.

Dat is het afschuwelijke van deze tijd: juist nu er helemaal niets meer in de wereld is waar we voor op hoeven te staan, is de noodzaak te bewegen groter dan ooit.

Maar elk weekend dat we er weer op uit gaan, wordt het verontrustender. De laatste keer dat het enigszins stevig vroor was januari 2019. Momenteel is de middagtemperatuur al meer dan 230 dagen niet beneden de tien graden geweest. Het is november en de lucht in Hoek van Holland voelt lauw, de wereld heeft iets zompigs gekregen, iets weeïgs. Het is druk op het strand. De mensen hebben er nog net geen handdoekjes neergelegd. „Lekker toch?”, hoor ik een meneer achter me zeggen.

Achter ons doemt een witte varende muur op, de ferry naar Harwich. God weet waarom hij nog vaart, maar hij vaart. Tweemaal daags. Engeland is in strikte lockdown, bij terugkeer in Nederland moeten mensen tien dagen in quarantaine, er is geen kip die naar Engeland wil, en toch vaart hij door. De stookolie moet blijven vloeien.

Boven ons hoofd vliegt een Boeing 777 naar New York. Niemand mag Amerika binnen, al sinds maart niet, en toch blijft KLM al die tijd halsstarrig doorvliegen. Voor de show? Voor het vasthouden van een parkeerplek? Omdat het contract voor de kerosine al was gesloten? Weet ik veel. Eigenlijk denk ik dat ze gewoon van geen ophouden weten.

Wij weten met z’n allen van geen ophouden. Zelfs nu de natuurlijke wereld het afgelopen jaar een ultieme poging heeft gewaagd om de mensheid stil te leggen, onze verbrandingsmotoren te doven, zelfs nu weten we van geen ophouden. Het coronavirus hangt met zijn volle gewicht aan ons been en we tuffen gewoon door. De noodrem is kapot. Razendsnel zoeken we een vaccin om de plaag van ons af te schudden en weer door te gaan alsof er niets aan de hand is.

En ik? Ik verlang naar een lange ijzige winter.

Rosanne Hertzberger is microbioloog.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.