Analyse

Wilsverklaring krijgt meer gewicht bij euthanasie

Euthanasie Een schriftelijke wilsverklaring waarin om euthanasie wordt verzocht, blijft voortaan geldig. Ook als een demente patiënt niet meer weet wat hij of zij zegt.

Fotograaf Hans van Rhoon fotografeert zijn dementerende moeder van 97 jaar als ze de gordijnen dicht doet voor de nacht. Haar bed staat in de huiskamer.
Fotograaf Hans van Rhoon fotografeert zijn dementerende moeder van 97 jaar als ze de gordijnen dicht doet voor de nacht. Haar bed staat in de huiskamer. Hans van Rhoon

Wat te doen bij een diep demente patiënt die een paar jaar eerder heeft opgeschreven dat ze euthanasie wil als ze ooit ondraaglijk lijdt aan dementie? Als ze, eenmaal zeer dement, twijfelt of geen antwoord meer kan geven op de vraag of ze dood wil. Maar ze lijdt wel duidelijk aan het dagelijkse leven. Moet de arts de euthanasie die ze voorheen zei te willen in die omstandigheden, dan doorzetten?

Die vraag houdt veel huisartsen en verpleeghuisartsen al jaren bezig omdat het aantal ouderen met dementie groeit. Het houdt ook veel ouderen bezig die vrezen dat ze ergens in de komende tien jaar dement in een verpleeghuis zullen belanden en dat absoluut niet willen. Velen laten bij de notaris vastleggen dat ze in die situatie euthanasie willen; anderen schrijven dat in een brief aan de huisarts of aan naasten.

Lees ook: Afzien van euthanasie, kan dat nog?

De schriftelijke wilsverklaring blijft voortaan geldig, kondigden de Regionale Toetsingscommissies – die élke euthanasie achteraf beoordelen – vrijdag aan. Ook als de patiënt diep dement is en niet meer weet wat hij of zij zegt. Hiermee volgen de toetsingscommissies een belangrijk arrest van de Hoge Raad in april.

Voorwaarde voor alle euthanasie is, volgens de wet, dat de patiënt ondraaglijk en uitzichtloos lijdt én weet wat hij van de arts vraagt. En dat een onafhankelijke arts een ‘second opinion’ geeft.

Wat nu verandert, is dat een arts volgens de Toetsingscommissies voortaan niet meer hoeft te overleggen met de patiënt over het moment en de manier waarop de euthanasie wordt uitgevoerd – „wanneer de wil om te sterven onomstotelijk is vastgelegd. Zo’n gesprek is zinloos, omdat bij een dergelijke patiënt het begrip over deze onderwerpen ontbreekt”, aldus de toetsingscommissies. Ook mag een arts voortaan voorafgaand aan de euthanasie medicijnen geven, zoals een slaapmiddel, als hij of zij verwacht dat de demente patiënt agressief of geagiteerd zal reageren.

Arrest van Hoge Raad

In april oordeelde de Hoge Raad dat die schriftelijke wilsverklaring geldig blijft, ook al is de patiënt inmiddels wilsonbekwaam. Mits de patiënt eerder expliciet opschreef „dat hij om euthanasie verzoekt in de situatie waarin hij zijn wil niet meer kan uiten. Indien de patiënt zijn verzoek ook gehonoreerd wil zien als er geen sprake is van ondraaglijk lijden ten gevolge van fysiek lijden, moet daarnaast uit de schriftelijke wilsverklaring naar voren komen dat de patiënt zijn (verwachte) lijden aan deze situatie aanmerkt als ondraaglijk en dat hij dit aan zijn verzoek ten grondslag legt”.

Aanleiding voor het arrest van de Hoge Raad in april was de strafrechterlijke vervolging in 2018 van een verpleeghuisarts in Den Haag. Zij stond een jaar later terecht voor ‘moord’ omdat ze louter op grond van een nét iets te vage schriftelijke verklaring van een demente, 74-jarige vrouw, en de wens van de familie, euthanasie had toegepast. Om de vrouw te kalmeren voor het inbrengen van het definitieve infuus, had ze een slaapmiddel in de koffie gedaan. De arts deed het met de beste bedoelingen en de familie was haar dankbaar.

Lees ook: OM noemt arts schuldig maar eist geen straf in unieke euthanasiezaak

Maar de Inspectie voor de Gezondheidszorg was kritisch en het OM zag in de zaak aanleiding om de grenzen van de negentien jaar oude Euthanasiewet weer eens vast te leggen. Na een strafzitting in augustus vorig jaar werd de arts ontslagen van alle rechtsvervolging; ze was inmiddels behoorlijk getraumatiseerd. De euthanasie was in 2016 en najaar 2019 stond ze voor de strafrechter. Om te voorkomen dat huisartsen, verpleeghuisartsen en leden van het Expertisecentrum Euthanasie (Levenseindekliniek) weer voor zo’n langgerekte rechtsgang moeten vrezen, ging het OM niet in hoger beroep maar vroeg het de Hoge Raad om een oordeel, dat in april kwam.

In de dagelijkse praktijk ligt het onderwerp nog altijd gevoelig. De Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Medisch Tuchtcollege oordeelden in augustus dit jaar hard over de euthanasie op een 67-jarige wilsonbekwame, demente patiënt. De arts had volgens beide instanties niet goed onderbouwd waarom ze het negatieve oordeel van de SCEN-arts, die een verplichte second opinion geeft bij euthanasie, naast zich had neergelegd.

Terugkomen op euthanasiewens

Een arts mág te allen tijde weigeren euthanasie te verlenen. Maar ook sommige artsen die voorstander zijn van euthanasie, en dat ook toepassen, doen dat liever niet bij diep demente patiënten. Zoals de bekende verpleeghuisarts Bert Keizer. Zijn devies is: bij twijfel niet doen.

Een huisarts die zich met palliatieve zorg in het ziekenhuis bezighoudt en anoniem wil blijven zegt: „Het probleem bij de wilsonbekwamen is dat je de patiënt de kans ontneemt terug te komen op de euthanasiewens. Er wordt voor hen besloten. Er wordt zelf gesteld dat het er niet meer toe doet wat de patiënt er zelf van vindt.”