Opinie

Wie houdt van een veelkleurig Nederland omarmt artikel 23

Onderwijsvrijheid Ooit stellen refoscholen zich de vraag: blijven wij de homoseksuele praxis veroordelen? Tot die tijd rest de overheid niets anders dan afwachten, meent .
Foto Getty Images

In de wandelgangen van de Tweede Kamer greep de communist Marcus Bakker ooit een medewerker van de CDA-fractie bij de revers. De CPN-leider spuwde gal en alsem over het ontslag van een geestverwant aan een christelijke middelbare school in Zwolle. „Je reinste broodroof!” brieste hij. Daar moest de regering subiet een einde aan maken, aan dat recht om een docent de deur te wijzen wegens het lidmaatschap van de CPN.

De CDA’er, oudgediende Joop van Rijswijk, vroeg hem: „Stel dat ik het CPN-kader zou onderwijzen, niet volgens de leer van Marx en Lenin maar volgens Bijbelse noties. Hoe lang zou me dat worden toegestaan?” Bakker: „Nog geen vijf minuten!” Van Rijswijk: „Precies!” Bakker zweeg, wendde zijn blik naar buiten en zei: „Kijk, het regent.”

De moraal van deze anekdote is dat een politicus die anderen in hun rechten wil beperken er verstandig aan doet zich eerst af te vragen hoe hij zelf zo’n ingreep zou ervaren. Zo’n confrontatie met de eigen gevoeligheden en ongerijmdheden scherpt het inzicht in de radicaliteit van zo’n maatregel, en ook in de effectiviteit: zou degene die met dwang wordt gecorrigeerd zich nu werkelijk realiseren dat zijn handelwijze niet door de beugel kan? Of moet je vrezen voor een contraproductief effect: een verdere verschansing in het eigen gelijk?

In een Kamerdebat, eerder deze maand, waarin de vrijheid van onderwijs aan de orde kwam, regende het van links tot rechts voorstellen voor nieuwe plichten en de inperking van rechten. Opnieuw bleek hoe onvruchtbaar een debat wordt als Kamerleden dat vanuit zo’n activistisch standpunt inzetten: naar hun oordeel sluiten opponenten die een matigende of nuancerende tegenwerping maken al gauw de ogen voor een misstand.

Illustratief was de venijnige reactie van PvdA-Kamerlid Attje Kuiken op een uiteenzetting van premier Mark Rutte over de vrijheid van onderwijs. „Dit doet de minister-president vaak”, smaalde zij, „als hij het ergens niet mee eens is, dan krijg je college.” Daar liet ze het bij. Op Ruttes betoog zelf over de ontstaansgeschiedenis van de onderwijsvrijheid ging Kuiken niet in. Mede doordat het debat nogal eens ontaardde in snibbigheden, bleef de context van de maatregelen waarover de Kamer debatteerde onbesproken: de functie die de vrijheid van onderwijs en andere grondrechten in de Nederlandse democratie vervullen.

Het onuitroeibare misverstand over de onderwijsvrijheid, geregeld in artikel 23 van de Grondwet, is dat de grondwetgever van 1917 daarmee de confessionele partijen een privilege gunde in ruil voor hun instemming met het algemeen kiesrecht. In werkelijkheid ging het om gelijkberechtiging van alle vormen van onderwijs, niet om een voorrecht voor christenen. Dankzij artikel 23 kregen alle Nederlanders bij de keuze van een school voor hun kinderen een gelijkwaardige plek onder de zon.

Onschatbare dienst

De gereformeerde leider Abraham Kuyper kreeg als voorvechter van dit vrijheidsrecht naderhand uit onverdachte hoek lof toegezwaaid. De liberale historicus Johan Huizinga oordeelde in 1938 dat Kuyper het onderwijs had bevrijd van de „almacht van de staat” en zo de „geestelijke vrijheid” een onschatbare dienst had bewezen.

Zo bezien is de vrijheid van onderwijs een van de rechten die mensen bescherming bieden tegen inmenging van de staat in sferen waarin zij hun maatschappelijke identiteit vormen. Dezelfde vrijheid je te ontplooien zoals jij wilt is ook de kernwaarde van andere grondrechten: het stemrecht, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van godsdienst. De achterliggende gedachte is dat mensen naast staatsburgers ook veelkleurige persoonlijkheden zijn die hun leven naar eigen overtuiging willen inrichten, door hun eigen politieke keuze te bepalen, in vrijheid te zeggen wat zij op hun hart hebben, zich met gelijkgezinden te verenigen, hun eigen godsdienst te belijden, hun eigen onderwijs in te richten.

Het hoofdredactioneel commentaar van NRC doet geen recht aan de diepere betekenis van artikel 23 als waarborg voor de keuzevrijheid van ouders wanneer het parmantig noteert dat het nog „te vroeg” is voor de afschaffing van het bijzonder onderwijs. In haar column in Trouw maakte historica Nelleke Noordervliet het een slag bonter: zij gaf alle christelijke politici een soort motie van wantrouwen. „Laten we beginnen met een advies aan de formateur die na 17 maart aantreedt: geef Onderwijs niet aan de ChristenUnie, SGP, Denk en voor de zekerheid ook maar niet aan het CDA.”

Lees ook: Homo-uitspraken ontploffen in het gezicht van minister Slob

Levensbeschouwelijke keuze

Tegenstanders van artikel 23 voeren aan dat een overheid die neutraal is ten opzichte van zijn burgers ook ‘neutraal’ onderwijs moet bevorderen. Voor onderwijs op godsdienstige grondslag kan dan volgens hen geen ruimte zijn. Een keuze voor neutraliteit is dat allesbehalve: zo’n van staatswege verordende uitbanning van religie uit het onderwijs houdt evenzeer een levensbeschouwelijke keuze in.

Het zou evenmin een neutrale daad van de overheid zijn om binnen het bijzonder onderwijs een onderscheid te maken, door scholen op een religieuze grondslag financieel droog te zetten en onderwijs met een eigen pedagogische methode, zoals de Montessori- of Daltonscholen, uit de staatskas te blijven voeden.

Daarbij komt dat zo’n onderscheid de deur naar willekeur opent: de vrijheid van onderwijs kan afhankelijk worden van wat de meerderheid van dat moment als een misvatting beschouwt en wat als juist. Met een afschaffing van artikel 23 zou de overheid het onderwijs uit handen van de samenleving halen en volledig voor haar verantwoordelijkheid nemen. Dat is niet zonder risico, de staat meer macht geven: je kunt nooit zeker weten of hij niet in verkeerde handen valt, bijvoorbeeld van politici die het op moslims hebben voorzien of – herinnert u zich dat ‘meldpunt’ van Thierry Baudet nog? – op ‘linkse’ leraren.

In zijn ‘college’, weggesnibd door de PvdA, kwam Rutte tot de slotsom dat de veelkleurigheid van Nederland voor de grondwetgever van 1917 de leidraad voor de inrichting van het staatsbestel was. Met de grondrechten is het pluralisme in de rechtsstaat verankerd: ongeacht de onderlinge verschillen is iedereen gelijk voor de wet. Dat impliceert dat de overheid zich terughoudend opstelt en zich geen oordeel aanmeet over wie het in de samenleving bij het rechte eind heeft en wie niet.

Luister ook naar deze NRC podcast waarin artikel 23 wordt uitgelegd

Homoseksuele levenswijze

Die principiële neutraliteit brengt haar eigen dilemma met zich mee: zij beschermt het individu wel tegen de staat, maar niet tegen de groep waarin het verkeert. Dat probleem werd deze maand weer manifest in de kwestie van de ‘identiteitsverklaring’, waarin reformatorische scholen van de ouders vragen zich uit te spreken dat een homoseksuele levenswijze in strijd is met de Bijbel. Het vrijheidsrecht waarop die scholen zich beroepen, biedt zo dekking aan een praktijk die voor homo’s op die scholen een traumatiserende inperking van hun vrijheid behelst. Deze schizofrene regel behoort nog tot de meest tolerante reacties die zij kunnen verwachten: je mag wel homo zijn maar niet de liefde bedrijven met iemand van jouw geslacht.

Deze discriminatoire praktijk op reformatorische scholen zet druk op het rechtsstatelijke principe dat grondrechten zo ongeclausuleerd mogelijk moeten blijven. Een vorm van dwang om die scholen te corrigeren (bijvoorbeeld met een inperking van de vrijheidsrechten die artikel 23 biedt) maakt inbreuk op dat principe, maar lijkt wel de snelste methode om die scholen bij de tijd te brengen.

Foto Getty Images

Een verstandige politieke afweging vergt beantwoording van de vraag: is een inperking van de onderwijsvrijheid een proportionele maatregel? De refozuil, waarvan ook de SGP en de bevindelijk gereformeerde kerken deel uitmaken, is een minizuiltje in het grote geheel van protestants Nederland. Er zijn niet meer dan tweehonderd reformatorische scholen voor het basisonderwijs, zeven voor het voortgezet onderwijs, één mbo- en één hbo-school.

De andere vraag die in de afweging niet mag ontbreken: is dwang een effectieve methode? Want dat moet de politiek toch willen: dat maatregelen die zij neemt het gewenste effect hebben.

Wat bij die effectiviteitstoets als ondoordacht door de mand valt, is het SP-voorstel, gesteund door VVD, D66, PvdA en GroenLinks, om scholen te verplichten elke leerling die zich aanmeldt te accepteren. De gedachte is dat de overheid zo reformatorische en ook islamitische scholen kan dwingen om leerlingen die niet in de kerk of de moskee komen, toe te laten. De vraag is hoeveel ouders hun ongelovige kind zullen aanmelden op een school die de Bijbel of de Koran als het onbetwijfelbare woord van God beschouwt. Niemand natuurlijk, op de zeloot na die zijn kind als wapen in een cultuurstrijd wil inzetten.

Zo’n acceptatieplicht is dus een voortbrengsel van symboolpolitiek, met naar te vrezen valt ook nog eens een contraproductief effect: het is een menselijk trekje dat dwang bij degene die wordt gedwongen de behoefte oproept in de contramine te gaan.

Lees ook: Slob verwacht te veel van nieuwe lessen burgerschap

Tragiek van de pluralistische samenleving

Al met al lijkt het politiek intelligenter de tragiek van de pluralistische samenleving te aanvaarden dat sommige maatschappelijke conflicten weerbarstig zijn en niet in een handomdraai met een wetswijziging op te lossen. Het is verstandiger dit soort conflicten aan de samenleving zelf over te laten. Dat vergt meer tijd en is voor politici onaantrekkelijk omdat zij liever een daadkrachtige maatregel nemen dan geduldig aan de zijlijn afwachten, maar terughoudendheid zal op termijn waarschijnlijk toch meer effect hebben.

De ervaring leert dat veranderingen van binnenuit meer beklijven dan aanpassingen en correcties die van bovenaf worden opgelegd. De zwarte kous vertoont steeds meer ladders, schreef Volkskrant-journalist Elma Drayer ooit treffend over de aanpassing van de bevindelijk gereformeerden aan de moderniteit. Ook in die kring, hoe zij ook haar best doet zich gesloten te houden, sijpelt de buitenwereld onherroepelijk binnen. Voor jonge refovrouwen is het zo langzamerhand vanzelfsprekend dat zij werken, om een voorbeeld te noemen. „Als je consequent rechtlijnig wilt zijn, kun je beter directeur van een liniaalfabriek worden”, zei SGP-voorlichter Menno de Bruyne ooit vergoelijkend over de geleidelijk toenemende rekkelijkheid in zijn kring.

De kop ‘Refoscholen veranderen beetje bij beetje’ (NRC, 14 november) getuigt van het aanpassingsproces. „Geef die scholen de ruimte. Druk van buitenaf werkt averechts”, zegt een oud-leerling van het Goudse Driestar in dat artikel over het zuchten en steunen bij de refo’s over de acceptatie van homo’s in de eigen gelederen.

Wie verantwoordelijk is voor het eigen handelen, zal eerder geneigd zijn dat aan een kritische toets te onderwerpen dan wanneer hij daartoe wordt gedwongen. Dat is een bijkomend voordeel van het betrachten van geduld met de trage gedaantewisseling van gemeenschappen die zich buiten de hoofdstroom van de samenleving bevinden. Refoscholen zullen zich ooit de vraag stellen: kunnen wij de homoseksuele praxis werkelijk blijven veroordelen hoewel we weten dat de homo’s onder onze leerlingen zich daardoor onveilig voelen?

Je kan de conclusie van dit artikel ook in één zin samenvatten: wie consequent pluralistisch redeneert zal artikel 23 omarmen, ook al is het misschien tegen heug en meug.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.