Slavenhandel aan de Afrikaanse kust, tweede helft 18de eeuw.

Beeld Rijksprentenkabinet

De ruzie voorbij: Nederland en de slavernij

Geschiedenis De discussie over het Nederlandse slavernijverleden wordt op felle toon gevoerd. Wat weten we eigenlijk over die geschiedenis?

Dit is een artikel over het Nederlandse slavernijverleden waarin de termen racist, activist, oude witte man, subsidieslurper, goedprater en cultuurmarxist niet voorkomen, behalve dan in deze eerste zin. De maatschappelijke discussie over de Nederlandse betrokkenheid bij de trans-Atlantische slavernij is de afgelopen jaren op hoge toon gevoerd, waarbij verdachtmakingen over oneervolle motieven en persoonlijke beledigingen niet ontbraken. Ook in de kolommen van deze krant liep de polemiek soms uit de hand.

Aan de discussie namen volop wetenschappers deel, maar door al het verbale vuurwerk raakte de inhoud nogal eens op de achtergrond: wat weten we nu eigenlijk over het slavernijverleden van Nederland? Waarover zijn historici het eens en waarover vindt wetenschappelijk debat plaats?

Een rondgang langs Nederlandse slavernijdeskundigen leert dat veel meningsverschillen voortkomen uit de manier waarop bronnen worden geïnterpreteerd. Dit is niet gek, het raakt de kern van de wetenschappelijke geschiedschrijving: wanneer mag je op basis van onderzoek zeggen dat jouw lezing van het verleden de juiste is, en wanneer ga je te ver omdat je het bronmateriaal oprekt en aan cherry picking doet?

Over de cijfers bestaat in ieder geval consensus, zegt Gert Oostindie. Hij is hoogleraar koloniale en postkoloniale geschiedenis in Leiden en directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV). „De database Slave Voyages laat geen ruimte voor twijfel: er zijn ongeveer 12,5 miljoen Afrikanen in slavernij weggevoerd, van wie er 600.000 door Nederlanders zijn verscheept. Ik denk dat er minder overeenstemming bestaat over het antwoord op de vraag wat nu de economische betekenis van de slavernij was en of die economische betekenis überhaupt belangrijk is.”

Over de rol die racisme speelde bij het tot slaaf maken en houden van Afrikanen zijn historici het ook wel eens. „Dat racisme is in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw gegroeid en in de achttiende eeuw werd het dé rechtvaardiging voor de slavernij”, vat Piet Emmer, emeritus hoogleraar van de Europese expansie in Leiden, de consensus samen.

Henk den Heijer, emeritus hoogleraar zeegeschiedenis in Leiden en auteur van onder meer Goud, ivoor en slaven. Scheepvaart en handel van de Tweede Westindische Compagnie op Afrika, 1674-1740, denkt ook dat er over de „harde feiten” weinig onenigheid bestaat, „maar de interpretatie van de feiten, daarover is wel discussie, daar zit ’m de pijn.”

Karwan Fatah-Black, auteur van onder andere Eigendomsstrijd: De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname en onderzoeker aan de Universiteit Leiden, zou willen dat die discussie meer gaat over recente wetenschappelijke inzichten, zegt hij. „We worden nu te vaak meegetrokken in een gesprek over stropoppen, ook door collega’s. Veel van wat in het publieke debat voorbij komt, is binnen de academie al jaren geaccepteerde kennis.”

Het slavernijonderzoek is veelzijdig en bloeide de afgelopen jaren. Om praktische redenen beperken we ons in dit artikel tot de discussie over de rol van Afrikanen bij de slavenhandel, de leefomstandigheden aan boord en op de plantage, de opbrengsten van de slavernij en de rol van slavenverzet bij de afschaffing van de slavernij – de onderwerpen die buiten de universiteit de heftigste reacties oproepen.

Zo gaat dat hier kennelijk

Hoe zat het met de rol van Afrikanen in de slavenhandel? Die vraag is niet zomaar te beantwoorden, zegt Pepijn Brandon, en je moet sowieso oppassen met het framen van deze kwestie, vindt hij. Brandon is docent aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en een van de samenstellers van de bundel De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam Onderzoek, die in september verscheen. „De vraag ‘wie is er begonnen?’, is diep misleidend en geen wetenschappelijke vraag. Het is geen kwestie van vraag of aanbod: het is allebei. De suggestie dat Afrikanen alles bepaalden en Europeanen maar gewoon meededen, is niet serieus te nemen.”

Voor Piet Emmer bestaat er weinig twijfel over het begin van de trans-Atlantische slavernij, zo schrijft hij onder meer in zijn Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel, dat in 2019 verscheen. Toen de eerste Europeanen – Portugezen en Spanjaarden – in de zestiende eeuw in Afrika aankwamen, was dat een continent als alle andere, zegt hij. „Er kwam slavernij voor. Dat was overal ter wereld zo – behalve in West-Europa. De Europeanen kwamen voor het goud, maar ze kregen al snel door dat de plaatselijke handelaren betaald konden worden met slaven. Zo gaat het hier kennelijk, moeten ze gedacht hebben, dan doen we maar mee.”

Voor de Europeanen, onder wie ook de Nederlanders, kwam er spoedig een reden bij om slaven in te kopen aan de Afrikaanse kust: het werk dat moest worden gedaan in hun koloniën aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Deze ontwikkeling leidde tot een sterke stijging van de vraag naar slaven. De Afrikanen toonden zich hier uitgekiende handelaren, zegt Den Heijer. „Toen de vraag omhoog ging, stegen ook de prijzen van slaven.”

In de 18de eeuw werden echte slavenrooftochten ondernomen

Angus Dalrymple-Smith

Angus Dalrymple-Smith promoveerde in Wageningen op een onderzoek naar Europees-Afrikaanse handel tussen 1630 en 1860. „Ik heb de contacten bestudeerd die plaatsvonden aan de Goudkust, de Bocht van Benin en de Bocht van Biafra. Hier hebben Engelsen, Fransen en Nederlanders ongeveer 80 procent van de mensen weggehaald die ze naar de Amerika’s hebben verscheept. Mijn conclusie is dat de Europeanen geen almachtige poppenspelers waren die hun Afrikaanse partners konden bevelen wat ze moesten doen. Het waren juist deze lokale spelers die bepaalden waarin gehandeld werd.”

Dat wil niet zeggen dat de trans-Atlantische slavenhandel geen interne gevolgen had in Afrika, benadrukt Dalrymple-Smith. „In de achttiende eeuw werden echte slavenrooftochten ondernomen om in de grote Europese vraag te voorzien. Er ontstonden ook staten zoals het koninkrijk Benin, waar de koning voor zijn macht afhankelijk was van de inkomsten uit de slavenhandel die hij aan zijn vazallen kon doorsluizen.”

In het algemeen gold in Afrika wat ook in de rest van de wereld gold en geldt, concludeert Dalrymple-Smith. „The poor get fucked. De Afrikaanse elite had tot de negentiende eeuw de touwtjes in handen, maar het was door samenwerking met Europese handelaren dat miljoenen mensen in slavernij werden weggevoerd.”

Schorriemorrie van Europa

Hoe verging het de slaven nadat ze uit Afrika waren geroofd? Hier openbaart zich een interpretatieverschil. Iedereen is het erover eens dat er sprake was van een scheve machtsverhouding tussen slaven en slavenhouders. Die laatsten hielden met geweld en de dreiging van geweld hun bezit onder de duim. Voor sommige historici is dat feit dé essentie van het slavenbestaan, maar anderen vestigen de aandacht op de behoefte aan accommodatie die ook bestond, bij slavenhouders én slaven.

„Het leven aan boord moet verschrikkelijk zijn geweest”, zegt Piet Emmer. „De sterfte was absurd hoog vergeleken met andere migratiestromen over zee, maar ook onder de bemanning vond veel sterfte plaats. Het was het schorriemorrie van Europa. Ook zij waren in slechte conditie.”

Pepijn Brandon is „tegen dit soort vergelijkendleedstudies, en vooral de bagatelliserende toon waarop dat gebeurt”, zegt hij. „Het systeem van onderdrukking was absoluut.”

Henk den Heijer hield in 2011 zijn oratie over het leven aan boord van een slavenschip, gebaseerd op onderzoek in de archieven van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC). „Ik heb daarop veel kritiek gekregen, omdat ik stelde dat er regels waren die ervoor moesten zorgen dat de slaven levend aankwamen. Dat was natuurlijk niet uit humaan, maar uit economisch perspectief. Ik wilde daarmee niet zeggen dat ze het goed aan boord hadden, maar in de context van die tijd was het een redelijke behandeling.”

Verkrachtingen aan boord

Fatah-Black vindt dit pleidooi niet overtuigend, zegt hij, mede vanwege de gebruikte bronnen. „Dat er geen bewijs is voor het veelvuldig voorkomen van – seksueel – geweld is nogal wiedes. De bewaard gebleven documenten zijn verslagen die de bemanning uitbracht aan de directeuren. De bemanning had meestal geen reden om te rapporteren dat er verkrachtingen aan boord plaatsvonden.”

Het vakgebied worstelt al langere tijd met het probleem van eenzijdig bronmateriaal, zegt Oostindie, die de vorige maand verschenen bundel Het koloniale verleden van Rotterdam samenstelde. „In een lezing heb ik wel eens gezegd dat we de slaaf zijn van onze bronnen: het is heel moeilijk om los te komen van die archieven van slavenhandelaren en slavenhouders. Toch moeten we op zoek naar nieuwe gezichtspunten, hoewel ook die vaak niet zonder problemen zijn. De laatste tijd is er bijvoorbeeld veel aandacht voor de orale traditie binnen gemeenschappen van nakomelingen van slaven. Maar weten we wel zeker dat die overlevering iets zegt over het verleden, of iets over de interesses en emoties van nu?”

Dalrymple-Smith gebruikte voor zijn onderzoek vooral de archieven van de MCC en de WIC en daarnaast, in beperkte mate, etnografische en archeologische bronnen. „In Amerika kan dat eigenlijk niet meer”, vertelt hij. „Over Afrika schrijven zonder lokale bronnen te gebruiken, ligt in de Verenigde Staten heel gevoelig. Toen ik voor een congres in Afrika was, had ik overigens het idee dat dit sentiment daar een stuk minder leefde.”

Hoe ging het eraan toe als de slaven in de Nieuwe Wereld waren aanbeland? Van Marjoleine Kars verschijnt volgend jaar Bloed in de rivier, over de slavenopstand in 1763 in de Nederlandse kolonie Berbice in het tegenwoordige Guyana. Kars doceert aan de University of Maryland, Baltimore County, in de VS. Ze beschrijft in haar boek de onmenselijke behandeling die de slaven uiteindelijk tot een opstand aanzette. „De gouverneur van Berbice kwam eens langs een plantage waar een kind van acht voor straf al twee weken in een kooi zat, in de zon met nauwelijks eten en drinken. Hij gaf het bevel hier een einde aan te maken, maar de slavenhouder legde dat naast zich neer.”

Onmenselijke straffen

Uit de archieven van de kolonie blijkt dat het niet altijd strijd was in Berbice, zegt Kars. „Natuurlijk proberen mensen wat van hun leven te maken. Je ziet dat mensen trouwen, vriendschappen en vijandschappen hebben. Je leest ook over gezinnen die bestonden uit een mix van vrijgelatenen en inheemsen. Slaafgemaakten moesten hun eigen voedsel verbouwen, waar ze ook genoegdoening en een zekere mate van autonomie aan ontleenden. Maar dat is slechts één kant van de munt: de andere kant is de permanente dreiging van geweld en onmenselijke straffen.”

Gert Oostindie promoveerde eind jaren tachtig op het proefschrift Roosenburg en Mon Bijou: Twee Surinaamse plantages, 1720-1870. „Naarmate de generaties langer op zo’n plantage leefden, ontstonden er echte gemeenschappen. Er was een continue onderhandeling. Zo gingen de slaven op Roosenburg in staking tegen een nieuwe, wrede opzichter. Aan dit gedrag wilden ze zich niet accommoderen. Er was geen sprake van gelijkwaardigheid, de dreiging van grof geweld was er altijd, maar er was kennelijk wel een afweging: zolang die opzichter niet al te extreem optreedt, slikken wij het.”

Ook Piet Emmer benadrukt dat de opzichters het niet te bont konden maken. „Op zo’n plantage was 98 procent van de bewoners slaaf. Als je een opstand veroorzaakte, duurde het dagen voor er hulp van het leger was. Dat was bijzonder gevaarlijk.”

Een economisch systeem

Hoe belangrijk was de slavernij voor de Nederlandse economie? Alex van Stipriaan, hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit, publiceerde vorige maand Rotterdam in slavernij. In een interview met deze krant zei hij dat hij het onwenselijk vond deze vraag te stellen. „Die fixatie op de economische opbrengst van de slavernij vind ik principieel onjuist. Alsof dat het belangrijkste aspect van dit fenomeen is. Vaak wordt deze discussie ook gebruikt door mensen die willen aantonen dat de slavernij eigenlijk helemaal niet zo belangrijk was.”

Pepijn Brandon van het IISG begrijpt waar deze gedachtegang vandaan komt. „Heel lang was de toon hier in Nederland: als het niet veel heeft opgebracht, was het ook niet erg. Dat heeft sommige mensen allergisch gemaakt voor dit soort berekeningen, maar slavernij was ook een economisch systeem, om mensen rijk te maken. Die kant moet je belichten.”

Die kant moet je zelfs juist belichten als mensen stellen dat de slavernij voor Nederland niet zoveel impact had, vindt Karin Lurvink. Lurvink promoveerde aan de VU en haalde dit jaar de publiciteit met haar onderzoek naar de betrokkenheid van Nederlandse banken en verzekeraars bij de slavernij. „De banken verschaften de leningen waarvan plantages werden gebouwd en gekocht en de waarde van de levens van de slaafgemaakten aan boord was onder bepaalde voorwaarden verzekerd. Met dit soort werk laten we zien hoe diep de slavernij verweven was met de hele maatschappij. Het ging niet alleen om de handelaren die direct profijt trokken.”

Haar onderzoek laat ook zien dat de geschiedenis van de slavernij zich niet alleen afspeelde in de koloniën, zegt Lurvink. „Het is echt Nederlandse geschiedenis, die hier doorwerkt tot op de dag van vandaag.”

Ook Pepijn Brandon leverde vorig jaar samen met Ulbe Bosma een bijdrage aan de discussie over het economisch belang van de slavernij in een artikel in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis. Het duo berekende dat 5,2 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product (van 440 miljoen gulden) en 10,36 procent van het bbp van de rijkste provincie Holland in 1770 was gebaseerd op aan slavernij gerelateerde activiteiten. Het ging hierbij niet enkel om slavenhandel, dat een klein deel van dit percentage uitmaakt, maar vooral om de handel in door slaven gemaakte producten en de nijverheid daar omheen. Brandon noemde de slavernij „een kurk onder de activiteiten van de koopmansfamilies in de grachtenpanden van Amsterdam en andere Hollandse handelssteden”. In het persbericht van het IISG werd dat „de kurk onder de Nederlandse economie”.

Gezicht op het West-Indisch Pakhuis in Amsterdam. Prent uit 1665 van het gebouw waar waren uit de koloniën aankwamen.

Beeld Rijksmuseum

Ook rondom dit onderzoek is discussie ontstaan over hoe de ‘harde feiten’ nu gewogen moeten worden. Henk den Heijer was bij het project betrokken totdat hij erachter kwam hoe de resultaten naar de buitenwereld zouden worden gecommuniceerd, zegt hij. „Op het onderzoek zelf heb ik niks aan te merken, dat is goed gedaan. Het percentage staat. Maar over de daaraan verbonden conclusies heb ik gezegd: hier neem ik geen verantwoordelijkheid voor. 5 procent is geen kurk.”

Piet Emmer vindt dat ook: „De kurk was de overige 95 procent, lijkt me, de landbouw en handel binnen Europa. Daarbij was 1770 het absolute hoogtepunt van de slavernij, en niet representatief voor de hele periode 1600-1863.”

Het systeem in crisis

De discussie over zijn artikel is té sterk gereduceerd tot dit percentage, vindt Brandon. „Vijf procent is niet veel omdat we het een groot getal vinden, maar om wat het zegt over de economie. Hoe is deze sector ingebed in het geheel? De moedernegotie – de handel op de Oostzee – stond er niet zo goed voor in de achttiende eeuw. De slavernij was de meest dynamische sector van de economie.”

Nederland schafte de slavernij in 1863 af, waarna de slaven nog verplicht werden tien jaar op de plantages te blijven werken. Wat is de rol van de slaven zelf geweest bij de afschaffing van de slavernij? In hoeverre was hun verzet, dat soms uitmondde in opstanden, van belang in deze ontwikkeling? En hoe luid klonk in Nederland protest? Ook in deze kwestie kunnen de feiten op een maximalistische en minimalistische wijze worden geïnterpreteerd, zo blijkt.

Die opstanden maakten aan Europa duidelijk dat er iets grondig mis was in de koloniën

Karwan Fatah-Black

Volgens Karwan Fatah-Black speelden opstanden een belangrijke rol. „Het abolitionisme kwam niet zomaar voort uit de Verlichting. Die opstanden maakten aan Europa duidelijk dat er iets grondig mis was in de koloniën.”

Een voorbeeld: in het tijdschrift De Denker werd in 1764 een gefingeerde briefwisseling gepubliceerd, zegt Fatah-Black. „De schrijver heeft het over drie opstanden, waaronder die van Berbice. Hij vraagt zich af: waarom werkt dit systeem eigenlijk zo? Waarom zijn de kinderen van slaven ook nog slaven? Dat soort vragen werd naar boven gestuwd door het feit dat er verzet was: maronage – het weglopen van slaafgemaakten – en complete opstanden. De opstand op Saint-Domingue in 1791, waaruit het vrije Haïti voortkwam, creëerde een schrikbeeld in Europa. Men zag toen: we moeten de koers veranderen om ons koloniale rijk te kunnen bewaren.”

Piet Emmer is het niet eens met die redenatie. „Die opstanden werden als een bedrijfsrisico gezien. Na de opstand op Haïti zijn er door de Spanjaarden en Portugezen nog drie miljoen slaven naar de Amerika’s vervoerd, terwijl de prijzen omhoog gingen. Gemiddeld was zo’n 10 procent van de slaven geabsenteerd, maar wat was het alternatief? Vrije arbeid was onbetaalbaar, dus dan kon je je wel een opstand veroorloven. De slavernij werd afgeschaft om humanitaire motieven.”

Beeld Rijksmuseum

Brandon vindt die redenering te kort door de bocht. „Ik vind het vreemd dat Haïti zo absoluut wordt gezien. De stijgende prijzen laten ook een systeem zien dat onder druk staat. En belangrijk: de opstand maakte voorpaginanieuws van iets dat eerst alleen in kleine gezelschappen werd besproken. Zonder het verzet van slaafgemaakten was er überhaupt geen discussie geweest: zowel voorstanders als tegenstanders van de afschaffing van slavernij refereerden eraan. Opstanden hielpen het systeem in crisis te storten.”

Marjoleine Kars zegt dat ook het nieuws van de opstand van Berbice in alle kranten stond, „van Leeuwarden tot Rotterdam”. Elders in Europa haalde de rebellie eveneens de pers. „Dat er zoveel Europeanen om het leven kwamen, was sensationeel. Er ging een expeditie naartoe met vrijwilligers uit de hele Republiek.”

Henk den Heijer publiceert volgend jaar het boek Nederlands slavernijverleden: historische inzichten en het debat nu. Daarin behandelt hij ook de weerstand tegen de slavernij in Nederland. „Die kreeg pas echt de wind in de rug na het optreden van de Quakers in het Verenigd-Koninkrijk”, stelt hij. „We moeten de weerstand vóór het einde van de achttiende eeuw niet overdrijven. Neem een predikant als Bernardus Smytegelt (1655-1739), nog steeds een naam in bevindelijke kringen. Hij heeft honderden preken geschreven en in één ervan staan zeven regels over de slavernij. Dan kan je niet zeggen dat zijn gemeente dús wist dat er iets fout zat overzee. Context is belangrijk. Mensen wisten ook dat de doodstraf bestond en dat kinderarbeid bestond. Daar deden ze ook niets aan.”

Nog meer in de schijnwerpers

Hoe nu verder met de geschiedschrijving van het Nederlandse slavernijverleden? Fatah-Black verwacht de komende jaren veel nieuwe inzichten over de Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij in Azië, zegt hij. „Er wordt ook steeds meer onderzoek gedaan naar de verwevenheid van verschillende systemen, daar ben ik heel benieuwd naar.”

Brandon denkt ook dat de grote nieuwe inzichten betrekking zullen hebben op Azië, zegt hij. „Verder vind ik dat er nog veel werk te doen is op het gebied van slavernij en de racialisering van de westerse samenleving.”

Karin Lurvink is het eens met die laatste constatering. „Je hebt het boek Witte onschuld van Gloria Wekker, waar op voortgeborduurd kan worden. Het is belangrijk om daar de komende jaren grote stappen te zetten.”

Met de maatschappelijke belangstelling voor de slavernij zit het voorlopig in ieder geval wel goed, concludeert Henk den Heijer. „Uit onderzoek van het Historisch Nieuwsblad bleek dit jaar dat er in lesmethoden op scholen twee keer meer ruimte wordt besteed aan het kolonialisme en de slavernij dan aan de holocaust. Het klinkt misschien gek uit de mond van een slavernijhistoricus, maar je kan je afvragen of het wel nodig is dat er voor dit onderwerp nóg meer aandacht komt.”