Rioolmot

Amsterdamse beestjes

Stadsecoloog schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels van Amsterdam.

Om acht uur ’s morgens gaat mijn telefoon. Een van mijn informanten meldt zich. Er doen geruchten de ronde over een massagraf op het Purmerplein. Met duizenden doden. Ik zal erheen moeten.

Op het Purmerplein heb ik de plaats delict snel gevonden. Een leeg winkelpand op een straathoek. Met grote ramen. Ik kijk naar binnen, en zie dat de geruchten kloppen. Minstens tienduizend dode vliegjes bedekken de kale vloer van het pand. Vreemd: de lijkjes liggen op gelijke afstanden van elkaar. Ik kijk nog eens goed. Niet alle vliegjes zijn dood. Sommige tollen nog rond op hun rug en maken zo een cirkeltje om zichzelf heen vrij. Dat is de oorzaak van die mooie evenwichtige spreiding. Duizenden vliegjes draaiden rondjes in hun doodsstrijd en maakten zo een geometrisch kunstwerk.

Dan zie ik dat er nog meer overlevers zijn. Ze kruipen over de binnenkant van de ramen. Zwarte driehoekjes, een halve centimeter groot. Ik herken ze. Het zijn geen vliegjes. Het zijn motmuggen. Ze hebben een rij witte stippen op de vleugelrand. Dus is het de soort Clogmia albipunctata. Nederlandse naam: de WC-motmug. Ook wel rioolmot genoemd. Het is een van oorsprong tropische soort, die in de afgelopen vijftig jaar de hele wereld heeft veroverd. Dat is heel knap, want het is een klungelig ontworpen diertje dat slecht kan vliegen. Een meter vinden ze al heel wat. Daarna moeten ze uitrusten. Hun grote succes hebben ze te danken aan hun alliantie met de mens. Rioolmotten eten bacteriën en schimmels, die ze vinden in verontreinigd stilstaand water.

Foto Vinicius Souza

Die biotoop vind je overal waar mensen zijn. Overlopen, gootsteenhalzen, niet goed gereinigde toiletten, vergeten bloempotten vol water, prachtige leefomgevingen voor de rioolmot. In dat water leggen ze hun eitjes. Daaruit komen larven die ook weer bacteriën en schimmels eten, die verpoppen zich, uit de pop komt het motje. Na een dag zijn die geslachtsrijp, na twee weken zijn ze dood. In die tijd kunnen ze een hoop eitjes leggen.

Om de wereld te veroveren moet je jezelf ook kunnen verplaatsen. Door hun luie aard komen rioolmotten nogal eens op mensen terecht. Als je vervolgens een paar uur rustig blijft zitten dan ben je ineens in een andere stad, of in een ander land, of op een ander continent, afhankelijk van het vervoermiddel van jouw gastheer. En op de plaats van bestemming hebben ze vast wel weer toiletten, of anders open riolen, nog beter.

Ondertussen zit ik met die dode vliegen. De ramen van het pand zijn hermetisch gesloten, ze kunnen er niet uit. Moet ik iets doen? Dan zie ik dat op de vloer een paar planken ontbreken. En daaronder zie ik een rioolbuis. Die aan de bovenzijde open ligt. Zo zijn ze dus het pand binnen gekomen, de larven kunnen zich prima voortbewegen in water. De vliegjes die ik hier zie hebben ongetwijfeld eieren in dat water gelegd. De larven kunnen weer alle kanten op. Ik hoef de dierenambulance niet te bellen. Deze motten hebben het hier prima voor elkaar.

Stadsecoloog Remco Daalder schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.