Illustratie Bart Nijstad

Jonge Marokkaanse asielzoekers: de straatjongens van Europa

Asielzoekers uit Marokko Marokkaanse jongemannen blijven asiel vragen in Nederland – waar ze vrijwel nooit mogen blijven – en Marokko weigert hen terug te nemen. Wat moet er met hen gebeuren? „We maken asielzoekers van straatjongens.”

De zestienjarige jongen met littekens in zijn gezicht laat zich lastig doorgronden. Hij werd geboren in Casablanca, één keer per week belt hij zijn moeder in Marokko. Zijn naam is Amine, al wordt hij in zijn dossier vaker „jongere” genoemd.

„Jongere heeft extra kleding gekregen. Hij is erg dankbaar.”

„Jongere ruikt niet heel fris.”

„Jongere heeft moeite uit zijn bed te komen.”

„Wanneer jongere onder invloed is wordt hij aanhankelijk. Verder geen bijzonderheden.”

Amine arriveert in november 2018 in Nederland per trein. Na enige omzwervingen loopt hij vanaf station Emmen in bijna vier uur naar Ter Apel, waar hij asiel aanvraagt. Hij krijgt een bed in het asielzoekerscentrum in Dronten. Daar mompelt hij in zichzelf, eet hij weinig en doucht hij nauwelijks. Intussen leert hij snel de weg in Nederland.

Uit zijn dossier: „Jongere kan zelfstandig overal heenreizen. Wel heeft hij regelmatig NS boetes.”

Jongens verlaten Marokko met bestemming Europa, preciezer zijn hun plannen niet. Europa, waar alles mooier en moderner is. Zoals ze zien aan Europese Marokkanen op vakantie in hun moederland, en op sociale media bij jongens die hen voorgingen. Ze hebben een droom, van een andere toekomst. Sommigen hebben honger, zwerven in Marokko op straat. Hun vader en moeder zijn arm, gescheiden, dood. Ze leven van witbrood en blikjes tonijn. Wat hebben zij nog te verliezen?

De toestroom van Marokkaanse asielzoekers begon in 2016 onverwachts, zoals asielstromen wel vaker uit het niets lijken te komen. In januari: 7 asielaanvragen. In juli: 52. In september: 284. In heel 2018 telde de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) 1.263 Marokkaanse asielzoekers, 145 van hen minderjarig. Een jaar later, in 2019, meldden zich 163 minderjarige Marokkanen, de tweede grootste groep na Syriërs. Ze maken amper kans op een verblijfsvergunning, Buitenlandse Zaken heeft Marokko op de lijst van veilige landen staan. Maar in nationale en internationale wetten staat dat iedereen asiel mag aanvragen. ‘Veiliglanders’ worden de Marokkaanse asielzoekers genoemd, net als Algerijnen en Tunesiërs, die de laatste jaren ook steeds vaker naar Nederland komen.

In het noorden van Marokko, bij de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla, wachten ze op het juiste moment. ‘Risky’s’ worden ze er genoemd. Ze vouwen ze zich onder motorkappen of steken in bootjes de Middellandse Zee over. Jongens verdwijnen, al worden de vermissingen niet geteld.

Ze leven met het idee dat wij alles hebben, en zij niets. Ze vinden het vreselijk oneerlijk.

Maar als ze Europa bereiken, blijkt al snel dat ze nergens welkom zijn. Ze gaan zwerven. Door Spanje, Turkije, Griekenland, Frankrijk en dan, uiteindelijk, Nederland. Waarom Nederland? Amine vertelde de Raad voor de Kinderbescherming dat hij van een vriend in Frankrijk hoorde dat het in Nederland „schoon zou zijn”. „Dit is allemaal waar”, zei hij.

Veiliglanders weten zelf ook wel dat ze weinig kans op asiel maken, maar óók dat ze recht op opvang hebben.

De jongens waar dit verhaal over gaat mogen niet blijven, maar kunnen ook niet worden weggestuurd. Marokko weigert uitgeprocedeerde onderdanen terug te nemen.

Gestolen telefoon

Het dossier van Amine wordt snel dikker. Hij is mager, zijn pupillen zijn groot. „Verslaafd. Middel onbekend”, noteren zijn begeleiders. In het asielzoekerscentrum in Amsterdam raakt hij als illegale bezoeker betrokken bij een vechtpartij – hij krijgt er een gebiedsverbod. Hij wordt ook verdacht van mishandeling, beschadiging, diefstal, belediging van een ambtenaar in functie. Amine weet van niets. Hij was met een „vriend in het park”, zegt hij bij een voorgeleiding. Ze waren aan het wandelen. De vriend gaf hem een telefoon. Gewoon, om even vast te houden. „Pas toen de politie kwam, hoorde ik dat de telefoon gestolen was.” Na een arrestatie wegens zakkenrollen doet hij in zijn cel twee zelfmoordpogingen.

Het is maart 2019. Hij is vier maanden in Nederland.

Het zijn jongens en mannen, wordt vaak over Marokkaanse asielzoekers gezegd, die hier eigenlijk niet mogen zijn, maar die wel het imago van alle asielzoekers verpesten.

Het zijn de asielzoekers die in Ter Apel tegen bussen trappen en chauffeurs bespugen. De zakkenrollers die in Amsterdam elk weekend de politiecellen bezetten. De nachtmerrie van lokale ondernemers in Kampen. Omdat ze niet alleen boodschappen stelen maar ook de telefoons van winkelende klanten.

Lees ook dit artikel Burgemeester: pak overlastgevende asielzoekers strenger aan

Of het aan de Marokkaanse jongens ligt is niet onderzocht, maar het draagvlak voor asielzoekers is in Nederland wel verder gedaald.

Als Faissal Taanabout (27) niet aan het roken is, houdt hij een onaangestoken sigaret in zijn hand. Sigaretten helpen hem bij zijn werk, zegt hij. Haalt hij twee vechtende jongens uit elkaar, dan kan hij daarna, als ze gefrustreerd staan te roken, een gesprek aanknopen. Hé! Waarom deed je dat nou? Zijn vader, die in Marokko werd geboren, schrok toen Faissal Taanabout hem vertelde dat hij met deze jongens ging werken. „Deze jongens,” zegt hij, „zijn daar ook berucht”. Ze staan er bekend als straatjongens met zwaarden, de rovers van Marokko. Tcharmils, noemen ze zich. „Jongens die in staat zijn hun eigen ouders neer te steken.”

Het stramien van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), is er een met regels. Er is een schoonmaakrooster, jongeren moeten naar school. Begeleiders leren hun ook hoe Nederlandse supermarkten werken, al blijven sommige jongens dure biologische eieren van hun schamele weekgeld (59 euro) kopen.

„Vertel zo’n jongen maar eens dat hij de toiletten moet gaan schoonmaken”, zegt Faissal Taanabout. „En dat je anders vijf euro inhoudt.” Hij zegt dat ze gewend zijn aan de mores van de straat. Een jongen vraagt hem eens of hij die boete van vijf euro niet contant kan afrekenen. Heeft Taanabout terug van vijftig euro? Een andere COA-begeleider: „Eigenlijk maken we van straatjongens asielzoekers.”

„Ze leven met het idee dat wij alles hebben, en zij niets”, zegt een begeleider. Sommige jongens waren niet eens van plan asiel aan te vragen. Ze doen het maar als ze zonder papieren worden opgepakt in de trein. „Belastingbetalers denken daar vast anders over. Maar zij vinden het vreselijk oneerlijk.”

Het leven van de Marokkaanse jongens speelt zich vooral buiten de opvang af. Zonder ritme, maar met vaste patronen. Ze staan op, stylen hun haren. Ze dragen trainingspakken, het liefst van Lacoste of Nike. Een klassiek model Nike Airmax aan hun voeten. Ze pakken de bus naar de dichtstbijzijnde stad of Amsterdam. Verdwijnen uit het zicht van begeleiders.

De begeleiders zeggen dat de jongens vaak op straat in Marokko al verslaafd zijn geraakt. Ze gebruiken rivotril. In Marokko wordt het op straat verhandeld, in Nederland voorschreven aan mensen met epilepsie of angsten. Rivotril maakt de jongens onberekenbaar en agressief. Sommigen snijden zichzelf om medicijnen bij hun begeleiders af te dwingen. „Daar moet je niet intrappen”, zegt Taanabout. Soms gebeurt dat toch. Jongens zwaaien met recepten die ze in andere landen hebben bemachtigd. Artsen herkenden het middel niet als drugs. Als jongens worden opgepakt, neemt de politie rivotril in, als ze vrijkomen krijgen ze het gewoon weer mee.

Illustratie Bart Nijstad

Als ze geen rivotril hebben, gebruiken ze wat maar voorhanden is. Ze blowen, drinken. Bij Halfords stalen jongens eens bandenplaksets om de lijm die daar in zit te snuiven.

De begeleiders van Amine noteren ook dat hij vaak grapjes over seks maakt. „Als jullie me betalen, dan wil ik wel seks hebben”, zegt hij dan. Zijn de Marokkaanse jongens slachtoffer van mensenhandel? Waarbij ze worden gedwongen tot diefstal of betaalde seks? Het laat zich lastig bewijzen. Amine zegt later dat hij door zijn drugsgebruik veel vergeet. En dat er dingen zijn waar hij niet over kan praten. Hij zegt dat er „een netwerk” is, in Marokko, Frankrijk, Spanje en nu ook in Nederland. Dat hij weigerde voor hen te stelen. Dat hij in Antwerpen met een mes in zijn gezicht werd gesneden.

Haram geld

Boven de hoofden van de jongens rijdt eens in de zoveel minuten een trein binnen op station Brussel Midi. Felle zon maakt dat hun slaapplaats nog scherper naar urine ruikt. De jongen met zijn been in het gips stapelt lege bierblikjes naast zijn hoofdeind. Hij heet Hicham (27), zijn naam staat op het ziekenhuisbandje om zijn pols. Naast hem zit Otman (18). Aan de hanger om zijn nek hangt een zilveren ring. Van een vriend met wie hij vier jaar in Italië woonde. Ze verkochten er cocaïne, tot de vriend werd opgepakt. Otman vluchtte, voor de politie en voor de mannen die hen aanstuurden. Zijn moeder wilde het geld dat hij verdiende toen al niet meer hebben. Ze had gehoord hoe hij het verdiende. „Ze zei dat het haram was.”

Deze jongens zijn in Marokko ook berucht. Straatjongens met zwaarden, tcharmils, noemen ze zich

Op Facebook is er een andere werkelijkheid. Geef je telefoon, zeggen de jongens, dan laten ze hun leven zien. Hicham woont er in Barcelona. Op een foto met vier vrienden reflecteren zijn sneakers in het flitslicht. Otman heeft op zijn profiel ingevuld dat hij bij Real Madrid werkt.

Faissal Taanabout vertelt dat hij met zijn nieuwe auto naar zijn werk was gereden, hij had een Audi gekocht. De volgende dag zag hij zijn auto bij zijn jongens op Facebook staan. Ze hadden erbij geposeerd op de parkeerplaats. Bij de foto’s schreven ze dat ze een nieuwe auto hadden. De jongens vloggen over hun reis naar Europa, schrijven er liedjes over. Hij zag jongens verblijfspapieren omhoog houden voor de Eiffeltoren. „‘Papieren binnen’, staat er dan. „Natuurlijk hebben ze die niet gekregen.”

Aanpakken, die jongens. Dat is de politieke teneur. Burgemeesters leggen gebiedsverboden op. Op Oudejaarsavond, met carnaval. Het ministerie van Justitie stelt in het voorjaar van 2019 drie mannen aan om de grootste overlastgevers aan te pakken en noemt ze ‘ketenmariniers’. Overlastgevers, zegt ketenmarinier Jur Verbeek op televisie „die knippen en scheren we. Die laten we alle hoeken van de kamer zien.”

In de asieldiscussie, zegt een hulpverlener, werden minderjarigen altijd gespaard. Voor kinderen op de vlucht was zelfs bij de grootste politieke tegenstanders nog wel mededogen. Maar voor de Marokkaanse jongens neemt niemand het op. „Ze worden gezien als alleenstaande mannen die hun hele familie willen laten overkomen. Of op één hoop geveegd met Marokkaans-Nederlandse hangjongeren.”

Debatten gaan al gauw over de kosten, ziet de hulpverlener. „Maar als je het dan toch over eigenbelang hebt: deze jongens zijn niet alleen een gevaar voor zichzelf maar ook voor hun omgeving. Bij radicalisering gaat het toch ook zelden over hoeveel de bestrijding daarvan kost?”

Iets wat er niet is: perspectief

Zelfs in zijn cel pleegt Amine strafbare feiten. In Arnhem sloopt hij een kussen en een dekbed. Vernieling, wordt in april 2019 in zijn dossier genoteerd.

Waar kan hij dan nog naar toe?

Voor de grootste probleemjongens wordt in 2019 een andere oplossing bedacht die nog veel minder bekend is: een kleinschalige opvang met intensieve begeleiding. Het plan komt van voogdijstichting Nidos, die minderjarigen asielzoekers begeleidt. Alleen de grootste probleemjongens komen er terecht, vorig jaar waren er twaalf plekken. Hun overlastgevende gedrag moet er verminderen. Ze moeten werken aan iets wat er niet is: perspectief. Met het verdwijnen van de grootste overlastgevers moet de rust weerkeren in de Nederlandse asielzoekerscentra.

Lees ook deze reportage: Dolende jongens

De lijst met „kenmerken” van de bewoners is lang. Verslaving aan drank en drugs. Onvoorspelbare agressie. Automutilatie. Psychiatrische klachten. Criminaliteit. Vaak is er een combinatie van problemen.

Hun begeleiders halen de jongens met hun eigen auto’s op bij het asielzoekerscentrum. Het idee is dat de jongens daar dan een opmerking over maken. Zo van: ‘mooie auto’. Dan kunnen de begeleiders zeggen: „Die heb ik zelf verdiend, door hard te werken.”

Een band opbouwen en op eer en schaamte inspelen, wordt de methode. „Een cultuursensitieve aanpak”, noemen de bedenkers van de PON (Perspectief Opvang Nidos) dat. Ze verdelen rollen. Een oudere Marokkaanse begeleider wordt een ‘tante’. Ze praat veel met de jongens en kookt voor ze. Een ander wordt de ‘oudere broer’. Hij weet van de streken die ze uithalen en wijst ze soms terecht. Als het uit de hand loopt, kan hij ‘oom’ erbij halen. En dat is iemand die je niet teleur wilt stellen.

Al wonen er ook Syriërs en Afghanen, de meeste PON-jongens hebben een Noord-Afrikaanse achtergrond. Begeleiders denken dat dat komt doordat Noord-Afrikanen geen toekomst hebben in Nederland, dat geeft stress en een verhoogd risico op ontsporen. Er zijn ook Noord-Afrikaanse jongens die psychiatrische problemen veinzen in de hoop een verblijfsstatus op medische gronden te krijgen.

De begeleiders halen de jongens uit bed als ze er zelf niet uitkomen. Ze koken en praten met hen. Voor Amine lijkt de aanpak te werken. Dagvaardingen komen nog binnen, maar het zijn er wel minder. De begeleiders zien ook dat hij minder agressief wordt.

Stationsbankje in Woerden

Het was niet zijn bedoeling om zelfmoord te plegen, zal Amine later zeggen, maar op het stationsbankje in Woerden wordt hij niet meer wakker. NS-medewerkers vinden hem er zittend en buiten bewustzijn. Ze porren en schudden. Hij reageert even als de ambulancemedewerkers er zijn. Amine mompelt, wankelt een klein stukje, valt weer weg. Op zijn telefoon lezen ze dat hij die nacht 25.000 stappen heeft gezet, ongeveer vijftien kilometer. In zijn zakken vinden ze een potje rivotril en nog wat andere pillen. Een overdosis, denkt Amine ook zelf als hij die middag in het ziekenhuis wakker wordt. Hij wil naar huis.

Zijn begeleiders denken achteraf dat Amine in de war is geraakt omdat ze allemaal tegelijkertijd op vakantie gingen.

In een evaluatie van de PON-opvang schrijft onderzoeker Joris van Wijk van de Vrije Universiteit in Amsterdam dat „cultuursensitieve begeleiding” zeker geen „panacee” is. Sommige jongens vallen toch nog „herhaaldelijk terug”.

De jongens in de opvang gaan overdag naar school. Tot een van hen in een internationale taalklas een mes trekt. De schooldirecteur zegt dat het „al moeilijk genoeg is” om onderwijs aan asielzoekers te bieden. Deze jongeren kan hij er niet bij hebben. En wie de taal niet machtig is, kan zelfs bij McDonald’s geen stageplek krijgen, merken de begeleiders. Sport, dat lukt nog wel. Kickboksen, voetbal. Maar met sport alleen kun je geen dagen vullen.

Vertel zo’n jongen maar eens dat hij de toiletten moet gaan schoonmaken. En dat je anders vijf euro inhoudt

De zware psychische problemen van de jongens laten zich moeilijk diagnosticeren. In Nederland gangbare psychologische tests werken niet, door de taalbarrière maar ook door de culturele achtergrond en het gebrekkige opleidingsniveau. Ook de verslavingszorg worstelt. Zij zijn in Nederland gewend aan verslaafden die ‘lang en steady’ gebruiken. Deze jongens gebruiken alles wat voorhanden is.

„Je wil me controleren, je wil me opsluiten!”, schreeuwt een jongen in de opvang naar de klusjesman die het slot van zijn kamer vervangt. Het incident wordt dit jaar beschreven in een evaluatie. De jongen valt de klusjesman aan met een schroevendraaier. Een begeleider springt ertussen. Als de jongen later bij een begeleider in de auto zit, belandt hij in een psychose. Hij rukt aan het stuur, rent een viaduct op. Hij gaat springen, dreigt hij. Een drugspsychose, zegt de ingeschakelde crisisdienst. Volgens zijn begeleiders is het andersom – ze denken dat hij gebruikt om zijn psychiatrische problemen te onderdrukken. De verslavingszorg wijst naar psychiatrie en de psychiatrie naar de verslavingszorg. Laat de boel maar escaleren, is het advies, anders kan de geestelijke gezondheidszorg niets doen.

Na een korte opname in de jeugdzorg, waar het weer fout gaat, kan de jongen niet meer terug naar de opvang. Hij komt uiteindelijk in een vakantiepark in Lunteren terecht, daar krijgt hij persoonlijke begeleiding. Op een ochtend probeert hij zijn gordijnen in de brand te steken. Hij breekt uit. Bebloed rent hij over het vakantiepark. Omstanders bellen de politie.

Later stuurt een begeleider een mail aan een gedragswetenschapper. „De crisisdienst gaf aan dat zij zien dat hij ondervoed is, zeer psychotisch is, bedrust nodig heeft, verwaarloosd is, heftige tics heeft, afwezig is, onrustig is, open staat voor hulp en dat er duidelijk te zien is dat hij hulp nodig heeft.” Maar bij de crisisdienst is geen plek. Die zal er ook niet komen, zo staat in de evaluatie. „Niemand wil zijn handen hieraan branden”, mailt de gedragswetenschapper terug.

De onderzoeker schrijft dat het grootste probleem van de PON-opvang is dat jeugdzorginstellingen jongeren met psychische problemen weigeren op te nemen – zelfs als er al een rechterlijke machtiging voor een opname ligt. „Met alle risico’s van dien” blijven de jongens dan in de opvang wonen. Begeleiders daar kunnen geen psychische problemen of verslavingen behandelen.

Leren omgaan met gezag

Amine wordt na zijn overdosis in Woerden wel opgenomen in een gesloten jeugdzorginstelling. Op de Utrechtse Heuvelrug komt hij terecht op een plek voor jongeren met ‘complexe problematiek’. Bij zijn intake – waarbij hij onder invloed van drugs is – is hij ook kritisch, op zichzelf. „Ik heb contact met verkeerde vrienden en doe verkeerde dingen”, zegt hij. Hulpverleners spreken ‘leerdoelen’ met hem af. Amine moet van drugs afblijven en leren omgaan met gezag.

Rond die tijd worden ook de eerste positieve woorden over hem opgeschreven. „Als Amine merkt dat iemand hem helpt, kan hij zich positiever opstellen”, schrijft de Raad voor de Kinderbescherming. Hij laat „verandering” zien. „Amine lijkt voor zijn voogd en mentoren een leuke jongen te zijn.” Hij heeft een ook een toekomstscenario bedacht. Amine wil naar de kappersschool.

In het glazen hoofdkantoor van het COA aan de Haagse Rijnstraat, ingeklemd tussen de baksteenbruine justitietoren en de fietsenstalling voor Den Haag Centraal, vergadert de ondernemingsraad met het bestuur over de ‘algemene gang van zaken’. Al is er die zevende november 2019 één onderwerp dat vooral besproken moet worden. Al maanden gaat het erover. COA-medewerkers, die echt wel wat gewend zijn, weten niet meer hoe ze met veiliglanders moeten omgaan. De asielzoekers belagen niet alleen elkaar, maar ook de begeleiders. Ze gooien met stoelen, trekken messen. Het ziekteverzuim onder COA-medewerkers stijgt.

„Op het gebied van veiligheid blijft het onrustig’, zegt Siebe Riedstra, de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie en Veiligheid, als hij de vergadering opent.

Een lid van de ondernemingsraad: „De incidenten gaan maar door. (…) Het water staat ons aan de lippen en medewerkers kunnen er bijna niets tegen doen.”

Als staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (Asiel en Migratie, VVD) een maand later, in december 2019, in een Kamerdebat zegt dat ze in Marokko niet de juiste personen te spreken kreeg om de problemen met asielzoekers aan te kaarten, leidt dat tot een diplomatieke rel. De Marokkaanse ambassadeur zegt een afspraak om het onderwerp te bespreken op het laatste moment af. De relatie tussen en Marokko en Nederland is nog steeds niet hersteld.

Een oudere Marokkaanse begeleider wordt een ‘tante’. Ze praat veel met de jongens en kookt voor ze

„Het zou fijn zijn als je ze meteen terug kunt sturen naar het land van herkomst”, zegt Broekers-Knol daarna bij Omroep WNL. „Maar dat lukt dus niet zo makkelijk.” COA-medewerkers vragen zich intussen af of het geld dat nu wordt uitgegeven aan de opvang van deze jongens, niet beter besteed kan worden aan vluchtelingen die wel kans maken op een verblijfsvergunning.

Ook in 2020 melden zich in Ter Apel weer tientallen Marokkaanse jongens voor asiel. In september 20. In oktober 24.

En in heel Nederland halen de jongens nog steeds het nieuws. In Overloon mishandelt een inbreker in oktober 78-jarige man. Zestien jaar is de verdachte, hij komt uit Marokko. De Overloonse burgemeester Karel van Soest zegt voor de zoveelste keer „die rotzakken” uit veilige landen „spuugzat” te zijn.

Regionale krant De Stentor schrijft in november over „treinterreur” op de Vechtdallijn, het boemeltje tussen Zwolle en Emmen. Vrouwelijke stewards zouden niet langer alleen de trein in durven.

Veel jongens lopen van de een op andere dag met hun rugtas het terrein van het asielzoekerscentrum af. „MOB”, noteren de begeleiders dan in hun dossier. Met onbekende bestemming vertrokken.

Waar gaan ze heen?

In elk geval zelden uit eigen beweging terug naar Marokko.

Wat veel mensen niet begrijpen, zeggen hulpverleners, is hoe ver deze jongens zijn verwijderd van ‘teruggaan naar hun eigen land’. Ze zijn gewend aan de Europese levensstijl. Ze zouden het in Europa gaan maken. Maar ze hebben gefaald. Het gezichtsverlies zou te groot zijn.

Deze jongens zijn verdwaald. Je moet ze elke dag weer een nieuwe kans geven

De jongens die wel terug willen, kunnen dat soms niet. Hun ouders moeten óók meewerken. Zij vrezen invloed op broertjes, schamen zich. Als hun kind toch verslaafd op straat moet leven, dan maar ver weg, waar niemand het ziet.

Dus gaan de jongens naar Italië, België, Frankrijk, Zweden. Al weten ze wel dat ze ook daar niet welkom zijn. Faissal Taanabout hield met „tientallen” jongens contact. Hij vloog naar Barcelona, reed naar Parijs. Wat hij aantrof? „Pure ellende”, zegt hij. „Terwijl in Europa wordt gesteggeld over een aanpak, leven deze jongens alleen nog maar langer op straat. Twee jaar, drie jaar. Hun hersenen aangetast door de verslaving.”

Gekraakte villa in de bergen

Anderhalf jaar nadat hij zich in Nederland meldde, kondigt Amine bij zijn begeleiders zijn vertrek aan. „Het was een emotioneel afscheid”, zijn de laatste woorden die op 8 januari 2020 worden bijgeschreven in zijn dossier.

Aan de telefoon herinnert Amine zich in november nog veel van wat hij in Nederland heeft meegemaakt. Hoe hij vanuit Frankrijk aankwam op station Breda en een jongen met een Marokkaanse achtergrond ontmoette. „Hij bood me geld en eten aan. Ik wilde het niet aannemen. Ik wil me geen bedelaar voelen. Dan maar stelen.” De jongen zei hem dat Marokkanen als „Coca Cola zijn, wij zijn overal”. Hoe hij doorreisde naar Amsterdam, waar hij een dag overdonderd rondliep en voelde dat hij zijn „missie had voltooid”. De koude nacht op Amsterdam Centraal. De politie die hem aanhield wegens zwartreizen maar weer liet gaan nadat hij een valse naam opgaf. „Ik had geen geld en moest verder.” Zijn asielaanvraag in Ter Apel. „Waar ik meteen in een criminele hoek werd geduwd en een hekel aan Nederland kreeg.” Begeleiders die hem wel „morele steun” gaven die hij zegt nodig te hebben. Hij noemt hun namen, Ibrahim en Bo – „ik zal ze nooit vergeten”. Hoe hij in Nederland door zijn voetballiefde de bijnaam Hakim Ziyech kreeg.

„Ik moest wel weg uit Nederland”, zegt hij. „Ik heb er geen uitzicht en er wachtten mij verschillende strafzittingen.” Met een jongen die hij via Facebook kende pakte hij in Utrecht de bus naar Barcelona. Hij woont, vertelt hij, met een Marokkaanse vriend in een gekraakte villa in de bergen, met uitzicht op de stad. „Ik heb hier alles. Een slaapkamer. Spullen. Een kast. Zelfs een spiegel. We hebben water en elektriciteit. Eerlijk gezegd betalen wij daar niet voor.”

Hij gaat een paar uur dag naar school. Als Bo hem belt, vertelt hij haar dat hij soms ook werkt. Kleine klusjes waar hij niet veel mee verdient omdat hij illegaal is. „Het is behelpen. Maar zij wordt daar blij van.” „Mensen in Europa”, hoeven echt niet veel voor jongens als hem te doen, zegt hij. „We moeten alleen aangemoedigd worden om over een toekomst na te denken. Ahmed Aboutaleb en Khadija Arib kwamen ook uit Marokko zonder een cent op zak, zij hebben het toch ook in Nederland gemaakt?” Na drie jaar in Spanje krijgt hij er automatisch een verblijfsvergunning, zegt hij.

Als de Marokkaanse jongens in de opvang nuchter zijn en helder, proberen begeleiders een levensloop met hen uit te stippelen. Waar wil je over vijf jaar zijn?, vragen ze. En waar over tien? „De jongens zeggen allemaal dat ze een gezin, huis en werk willen”, zegt Faissal Taanabout. Hij antwoordt ze dan dat ze dan niet goed op weg zijn. En twee dagen later, weet Taanabout, zijn ze onder invloed vast alles weer vergeten. „Ze zijn verdwaald. Je moet ze elke dag weer een nieuwe kans geven”, zegt hij. „Maar de aanhouder verliest ook weleens.”