Reportage

Eritreeërs moesten samenhokken

De Flat Desbele ontvluchtte zijn land en belandde met andere jonge Eritrese mannen in de flat. Hij is „moe van het zoeken” naar een andere woning.

Foto Daniel Niessen

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/terugnaardeflat

Uit Eritrea komt zelden goed nieuws. Nu is het land verzeild geraakt in de strijd tussen Ethiopië en deelstaat Tigray. Maar het staat vooral bekend om de stelselmatige onderdrukking van de eigen burgers. De militaire dictatuur, de eindeloze dienstplicht, het erbarmelijk onderwijs, de armoe. In 2018 passeerde het aantal vluchtelingen uit het kleine land de half miljoen. Naar verhouding zou dat in Nederland neerkomen op een leeggestroomd Amsterdam en Rotterdam.

In Zeist wonen Eritreeërs vaak in de L-flat. Zoals Desbele, een man van dertig. Hij is klein van stuk, heeft een schalkse blik in zijn ogen en een spleetje tussen zijn tanden. Hij woont op dertien hoog in een huiskamer met aan de muur posters van Jezus en Maria en in de hoek een koelkast. Hij serveert cola aan zijn tweekoppig bezoek – NRC en een Eritrese kennis van 24 uit de buurflat. Haben heet hij en het is fijn dat hij er is want Desbele praat zacht en in korte zinnen. In het Tigrinya beweegt Haben hem af en toe tot meer tekst, uitleg en volume.

Ook Desbele hing na zijn schooltijd de lange dienstplicht boven het hoofd, vertelt hij. Hij liet zijn broers en zussen en moeder op zijn 22ste achter zich, glipte Ethiopië in en bereikte Soedan. De tocht van Soedan naar Libië voert door de Sahara. Een konvooi van twee pick-ups elk volgeladen met tegen de dertig vluchtelingen denderde door het zand – chauffeurs rijden hard, ze krijgen per rit betaald. Desbele zag de pick-up naast hem over de kop slaan na een zandduin, reisgenoten werden de wagen uitgekatapulteerd. Desbele telde vier doden. „Twee mannen,” zegt hij zachtjes, „en twee mevrouwen van 18 en 25 denk ik zo.” Ze begroeven hen halfslachtig in het zand. Het moest snel, de chauffeurs wilden verder.

Vanaf de Libische wal stapte Desbele een vluchtelingenboot op die kort na vertrek werd ontdekt door de kustwacht. Bewakers brachten hem naar een huis van bewaring. Hij sliep er op een matras op de grond en mocht alleen ’s ochtends naar buiten, „in een soort tuin”. Na zes maanden lieten bewakers hem gaan. Mishandeld is hij er niet, zegt hij.

De tweede vluchtpoging slaagde, zijn boot verliet de Libische wateren ongezien. „Geluk”, zegt Desbele. Er waren 250 mensen aan boord. Waren er baby’s bij? „Ja.” Was hij bang? „Ja.” Wat deed je: juichen, toen je in Italië aankwam? „Jaja.”

Waarom hij uiteindelijk naar Nederland reisde kan hij niet goed uitleggen. Zijn kennis van het land reikte niet veel verder dan ‘Robben’ en ‘Van Persie’. Noorwegen had ook gekund – daar belandde een vriend.

Desbele kwam in Nederland aan in mei 2014 en kreeg binnen een jaar dit L-flat-appartement toegewezen. Hij haalde zijn inburgeringsexamen en deed een ‘MBO-entree’-opleiding.

Haben kwam een jaar na Desbele in Nederland aan. Dat maakte uit. De term ‘vluchtelingencrisis’ was net gemunt, Nederlandse sporthallen liepen vol, gemeenten kregen statushouders nauwelijks nog gehuisvest. In sommige steden en dorpen zag een nieuwe praktijk het licht: het plaatsen van drie Eritreeërs in één huis. Want waren die mannen niet overwegend jong en alleenstaand?

In Zeist gebeurde dit ook. In de gele hoogbouw naast de L-flat kreeg Haben een appartement met twee landgenoten die hij nauwelijks kende. „Het appartement was voor twee personen”, zegt hij. „Ze hebben de woonkamer voor de derde persoon gemaakt.”

In 2018 stopte dit beleid in Zeist. Achter sommige voordeuren was sprake van spanningen, ruzie en overlast. Bovendien was inmiddels de noodzaak weg: het aantal nieuwe asielzoekers was drastisch afgenomen als gevolg van de voortschrijdende fortificering van Europa.

Maar terúggedraaid werd het beleid niet: Eritreeërs die nog samenhokten, moesten zelf op zoek naar een nieuw huis. Haben zoekt al drie jaar, op de krappe sociale huurmarkt van Midden-Nederland. „Ik ben moe van het zoeken.” Hij woont nog altijd op zijn kleine kamer. „In de zomer is het gewoon… hoe noem je… Ja, benauwd.”

Van de nieuwe oorlog in Ethiopië en Eritrea vernemen ze weinig. Het internet in de regio ligt plat. Desbele heeft wel zijn moeder kunnen bellen. Ze woont dichtbij de grens met Tigray, het strijdtoneel bevindt zich op tientallen kilometers. „Ze is bang.”

Zijn leven in Nederland, dit parallel universum, daar richt hij zich op. Hij wil timmerman worden maar werkt nu in de keuken van Kentucky Fried Chicken. Hij belegt er de broodjes. Door de coronacrisis is hij teruggegaan van vijf dagen naar vier. Haben wast af in een hotel in Zeist – een eerder horecabaantje raakte hij kwijt.

Ze willen beiden hun Nederlands verbeteren. Op een kast in Desbele’s slaapkamer ligt een veelzijdig stapeltje boeken. Veelzijdiger kan eigenlijk niet. Onder Het Achterhuis van Anne Frank („Zij was slim hè? Tweede Oorlog hè?”) ligt Bert en Bart redden de wereld. Daaronder ligt Margriet Sitskoorns Het 50+brein – ouder wordende hersenen in de moderne maatschappij. En waarom ook niet. Vergrijzen zal hij hier doen.