De levenslust van Marilka Shlafer (1926-2020) was overdonderend

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Door steeds te wisselen van identiteit overleefde Marilka Shlafer de oorlog, als enige van haar familie. Ze was de hoofdpersoon in het boek Liever dier dan mens.

Marilka Shlafer op de presentatie van het boek over haar overlevingsverhaal, in 2019. Foto Amir Swaab
Marilka Shlafer op de presentatie van het boek over haar overlevingsverhaal, in 2019. Foto Amir Swaab

Ooit had ze blond haar. Het is een van de redenen dat ze als enige van haar omvangrijke, eveneens blonde familie de oorlog heeft overleefd.

Dat blonde heb ik nooit gezien. Het haar van mevrouw Shlafer, in 1926 geboren in Warschau als Mala Rivka Kizel, was al wit toen ik haar voor het eerst bezocht in Amstelveen, waar ze sinds het begin van de jaren zeventig woonde in een knus rijtjeshuis. Het is hetzelfde huis waar ze afgelopen dinsdagnacht is overleden in haar slaap, op 94-jarige leeftijd.

Haar blauwe ogen heb ik wel gezien. Die vervulden eveneens een tamelijk belangrijke rol in haar overlevingsverhaal.

Dat verhaal is even onwaarschijnlijk als waar. Mala Kizel groeide op in een orthodoxe, Jiddisch sprekende familie, in een joodse wijk waar de Duitse bezetter het grootste getto van Europa stichtte. Na haar familie maandenlang als smokkelaarster van voedsel te hebben voorzien, ontvluchtte ze het getto om op het land te gaan werken in wat nu Oekraïne is.

Na hardhandig in aanraking te zijn gekomen met antisemitische boeren (en een scherpe hooivork), meldde ze zich bij de bezetter, met een katholiek doopcertificaat dat ze van een priester had gekregen, om als dwangarbeider in de Duitse stad Bremen te belanden. Ze wist zich succesvol voor te doen als katholieke Pool – tot een Oekraïner haar verraadde; hij had haar Jiddisch horen praten in haar slaap. Ze werd gevangengenomen, maar kwam weer vrij omdat ze haar omgeving ervan wist te overtuigen ‘Volksduitser’ te zijn, een Oost-Europeaan met Duitse wortels. Inmiddels sprak ze goed Pools, Jiddisch én Duits. Als Volksduitser was ze raciaal te superieur om weer als dwangarbeider aan de slag te gaan, waardoor ze belandde in een gezin van overtuigde nazi’s. Die namen haar liefdevol op, als was ze een dochter. Na de oorlog vertrok ze naar Israël. Twintig jaar later betrok ze haar woning in Amstelveen omdat haar man een baan kreeg op Schiphol.

Dit is een summiere samenvatting van het overlevingsverhaal zoals zij dat zelf heeft opgeschreven, voor de eigen familie. Met die tekst in de hand ging ik, in verschillende landen, op zoek naar wat in het heden nog terug te vinden is van haar verhaal. Die speurtocht resulteerde in het boek Liever dier dan mens, een titel die ontleend is aan een lang satirisch gedicht dat mevrouw Shlafer tot kort voor haar dood uit het hoofd kon declameren.

Lees ook de recensie van het boek ‘Liever dier dan mens’

Het beginpunt van mijn reis was bij haar thuis in Amstelveen. Haar kleinzoon Amir, die ik al kende, had me vooraf verteld over zijn oma’s persoonlijkheid. Toch had niets me kunnen voorbereiden op de vrouw die ik in 2015 voor het eerst ontmoette. De veerkracht, charme, levendigheid en vertelkunst van de tachtiger (toen nog) waren overdonderend. Omringd door foto’s van haar twee kinderen, vier kleinkinderen en negen achterkleinkinderen (plus enkele foto’s van haarzelf, recent genomen, met een bridgebokaal in de hand) vertelde ze meeslepend over gebeurtenissen van minstens zeventig jaar geleden, terwijl ze intussen haar kleinzoon naar keuken en zolder dirigeerde voor klusjes, koffie en koekjes („Amir, komt er nog wat van?”).

Op de begrafenis in Muiderberg afgelopen woensdag noemde Amir zijn oma de „commander in chief” van een familie die uitgewaaierd is over verschillende continenten. Die familie had zij gesticht met Nathan Shlafer, een man uit de Poolse stad Lódz die Auschwitz had overleefd. Het werd de nieuwe zin van haar leven. Enkele uren voor haar overlijden zei ze: „Ik ben gelukkig, want ik heb mijn familie bij me.”

De oudste foto die van Marilka Shlafer bestaat, uit 1946. Genomen in Walbrzych, een Duitse stad die een jaar eerder door de geallieerden aan Polen was toegewezen.

Foto privécollectie

Pas veel later begreep ik dat de levendigheid en de vertelkracht die mij zo overdonderden, ook uiting waren van een neiging om de eigen omgeving te domineren. Ze was „een Poolse moeder”, zoals haar dochter liefdevol zei in Muiderberg. „En in Israël weet iedereen wat je daarmee bedoelt.”

Dochter Esther vertelde een anekdote ter illustratie. Haar moeder gaf haar eens opdracht tijdens familiebezoek in Israël karpers te kopen om mee te nemen naar Nederland. In Israël waren die vissen beter en ze had ze nodig om ‘gefillte fisch’ te bereiden.

„Maar moeder, die vissen kunnen toch niet mee in de bagage?”

„Je moet de stewardess vragen die in de ijskast van het vliegtuig te bewaren.”

„Dat vinden ze natuurlijk nooit goed moeder.”

„Tuurlijk wel! Doe nu maar gewoon!”

In het vliegtuig van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al reageerde de stewardess als verwacht: „Daar kunnen we niet aan beginnen mevrouw. De ijskast is voor ons, de crew, niet voor passagiers.”

Daarop voegde Esther zachtjes toe, bijna tegen beter weten in: „Het geval wil dat ik een Poolse moeder heb…” De uitdrukking op het gezicht van de Israëlische stewardess veranderde ogenblikkelijk. „Ik begrijp het, ik heb ook een Poolse moeder. Geef me de vis maar.”

Enkele uren later reageerde mevrouw Shlafer in stijl, een paar kilo karper rijker: „Zie je nu hoe makkelijk dat was?”