Recensie

Recensie Boeken

Zelfs het poldermodel is een mythe

Landschapsgeschiedenis Ook in zijn nieuwe boek ontkracht Auke van der Woud hardnekkige mythes over Nederlanders en het landschap.

Instroming na de verbetering van de Leerinkbeek in Berkel.
Instroming na de verbetering van de Leerinkbeek in Berkel. Foto Nationaal Archief

Als de wind in mei en juni uit het oosten of noordoosten woei, hing er in de 19de eeuw ‘een dikke grijze wolk met een brandlucht boven Nederland’, schrijft historicus Auke van der Woud in het zesde hoofdstuk van Het landschap, de mensen. Nederland 1850-1940. In 1884 was de rook in Leiden zo dik ‘dat de zon een gloeiende kogel leek en alles een blauwachtige kleur kreeg’, zo citeert hij uit een artikel in Middelburgsche Courant. De walm boven Nederland was het gevolg van de brandende hei in onder meer Drenthe en De Peel. Om de grond geschikt te maken voor het telen van boekweit, brandden de boeren in deze arme streken jaarlijks stukken hei af.

Heidevelden en andere ‘woeste gronden’, zoals zandverstuivingen, moerassen en venen, besloegen in het begin van de 19de eeuw nog een groot deel van het Nederlandse grondgebied. Maar na 1850 werden deze ‘woestijnen’ in een steeds hoger tempo ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw.

Eerst gebeurde dit vooral door de in 1888 opgerichte vereniging Nederlandsche Heidemaatschappij. Maar na 1900, toen het besef doorbrak dat de Nederlandse landbouw de concurrentie met de moderne, gemechaniseerde landbouw in de Verenigde Staten niet aankon, nam de Rijksoverheid het heft in handen, zo laat Van der Woud gedetailleerd zien. Niet alleen werden de woeste gronden toen onder staatsleiding in een nog hoger tempo ontgonnen, maar ook werden de Maas en andere rivieren getemd en werden de talrijke boven NAP gelegen meren en waterrijke gebieden in Midden- en Oost-Nederland drooggemaakt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de regering de eerste plannen voor de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee. In het interbellum nam het parlement wetten aan die de grootscheepse ruilverkaveling van na 1945 mogelijk maakten.

Industriële landbouw

Zo veranderde Nederland in een halve eeuw van een land met onafzienbare heidevelden en zandvlakten, grillige rivieren en een gevaarlijke binnenzee in een ‘onberispelijk land’, waar ‘volgens ons eigen ideaal; alles netjes in laatjes en vakjes zit’, zo citeert Van der Woud uit Het werkende land van W.J. van Balen uit 1936. Toch was het doel van het rechttrekken en plat- en droogmaken van Nederland niet in de eerste plaats esthetisch. Doelmatigheid en nut van het land stonden voorop bij de herinrichting. De metamorfose moest het platteland geschikt maken voor de grootschalige, industriële landbouw, die van Nederland nu de tweede landbouwexporteur van de wereld heeft gemaakt.

Met Het landschap, de mensen keert Van der Woud terug naar Het lege land uit 1987. Hierin liet hij uitvoerig lezen dat Nederland omstreeks 1800 grotendeels een woest en ledig land was, met onbeheersbare rivieren en een gebrekkige infrastructuur. Zijn nieuwe boek sluit ook aan op de reeks magistrale cultuurstudies die hij de afgelopen twee decennia schreef over de snelle en radicale veranderingen die Nederland in de tweede helft van de 19de eeuw doormaakte, zoals Een nieuwe wereld (2013) en De nieuwe mens (2015).

Het landschap, de mensen kent dan ook eenzelfde opzet als zijn voorgangers. In elk van de 45 korte hoofdstukken, die telkens beginnen met een treffende oude foto, wordt aan de hand van talrijke citaten uit dagbladen, tijdschriften, rapporten, lezingen en boeken een aspect behandeld van de steeds snellere modernisering van het platteland.

Net als in al zijn voorgaande boeken gaat Van der Woud in Het landschap, de mensen weer een aantal Nederlandse mythes te lijf. Weersprak hij in Koninkrijk vol sloppen (2011) dat Nederlanders een proper volk met een burgerlijke cultuur zijn, in zijn nieuwe studie zijn het clichés over het volkskarakter en het poldermodel die het moeten ontgelden. ‘Het is voorbarig om de fameuze tolerantie en het zoeken naar consensus uit de geschiedenis van de waterschappen te verklaren’, schrijft hij. Want met als uitgangspunt ‘wien water deert, die water keert’ werkten de 2.500 waterschappen in de 19de eeuw zo gebrekkig samen dat Nederland regelmatig werd getroffen door grote overstromingen.

Ook waren de spreekwoordelijke Nederlandse spaarzaamheid en soberheid bij boeren en andere plattelanders volgens Van der Woud niet zozeer het gevolg van een calvinistische ethiek als wel ‘een verstandige en noodzakelijke manier van leven’. Ook de katholieke bewoners van het arme Kempenland hielden er immers een ‘calvinistische’ moraal op na. ‘Extreem zuinig, een sterk plichtsgevoel, een lage waardering voor het lichamelijke, puriteins ten opzichte van opschik, zeer gereserveerd, zelfs repressief waar het om het vrouwelijke seksuele gaat: als we niet wisten dat de Kempenlanders de rooms-katholieke kerk zeer waren toegewijd, dan zouden we misschien denken dat ze strenge calvinisten waren.’

Slome boeren

Maar dit keer houdt Van der Woud ook een mythe in stand. ‘Dit boek gaat over de relaties tussen het landschap en de mensen die er woonden’, schrijft hij tegen het einde van Het landschap, de mensen. Eerder heeft hij dan al ondubbelzinnig duidelijk gemaakt hoe de verhoudingen liggen: het landschap bepaalt het denken, doen en laten van de mensen die er wonen. ‘Een ingrijpende ruimtelijke transformatie brengt een culturele transformatie met zich mee’, beweert hij. ‘Oude gewoonten, oude sociale verbanden, zekerheden over leven en dood die diep en deels onbewust in het landschap zijn verankerd, maken plaatsen voor nieuwe.’

Vreemd genoeg weerspreekt Van der Woud zelf in zijn nieuwe boek de mythe dat het landschap de bewoners vormt. Uitvoerig beschrijft hij dat in de jaren 1850-1940 het land en de mensen in Nederland tegelijkertijd werden onderworpen aan de nieuwe economische wetten van een wereldomvattend kapitalisme die ook gingen gelden voor de kleinschalige Nederlandse landbouw. Niet doordat Nederland werd veranderd in een onberispelijk land met laatjes, maar door een combinatie van concurrentie, technische veranderingen en overheidsingrijpen werden zelfs de slome Nederlandse boeren ondernemers, voor wie, net als voor de Amerikaanse boeren, gold dat tijd geld is.