Recensie

Recensie Boeken

Witheid houdt witte mensen klein

Frankrijk en religie De vertaling van Houria Bouteldja’s Witte mensen, Joden en wij komt op een moment dat Frankrijk weer in de ban van terrorisme is, en waarop ‘moslims’ veelvuldig geproblematiseerd worden als ‘niet-Frans’. Bouteldja’s boek is te lezen als een grote weigering van die problematisering.

Een moskee in Parijs op 29 oktober 2020, twee weken na de onthoofding van de leraar Samuel Paty.
Een moskee in Parijs op 29 oktober 2020, twee weken na de onthoofding van de leraar Samuel Paty. Foto Thibault Camus

De vertaling van Houria Bouteldja’s Witte mensen, Joden en wij komt op een moment dat Frankrijk weer in de ban van terrorisme is, en waarop ‘moslims’ veelvuldig geproblematiseerd worden als ‘niet-Frans’. Bouteldja’s boek is te lezen als een grote weigering van die problematisering. Ze laat zien hoe het Franse secularisme zichzelf feitelijk kwetsbaar maakt, de wereld niet goed kan begrijpen, door te doen alsof geen weldenkend mens een werkelijke relatie met God kan claimen. Niet langer is ze bereid te buigen voor de eis te ‘integreren’, zich te schamen voor haar Algerijnse afkomst, of zelfs om te delen in de ‘redding’ van islamitische vrouwen door witte feministen. Ze constateert integendeel dat dat allemaal zwanenzangen van een irrelevanter wordend Westen zijn. Een Westen waarin, in reactie op zijn neergang, fascisme weer de kop opsteekt. Het antwoord daarop moet volgens Bouteldja de revolutionaire liefde zijn, het hoopvolle aanbod de stellingen van witte superioriteit te verlaten. Haar boek, zegt ze, is ‘een zoveelste – ongetwijfeld wanhopige – poging om die hoop nieuw leven in te blazen’.

Bouteldja is een van de woordvoerders van de Parti des Indigènes de la République, een politieke beweging die strijdt tegen alle vormen van racisme jegens ‘immigranten’ en voor de dekolonisering van Frankrijk. ‘Inheemsen van de Republiek’ is in Frankrijk een lastig concept. Vertaler Joost Beerten wijdt terecht een lange voetnoot aan Bouteldja’s gebruik van de term ‘inheems’ (indigène), die in de Franse koloniale politiek aan gekoloniseerden een inferieur statuut gaf. Als Bouteldja ‘inheems’ tot geuzennaam maakt, is dat om te onderstrepen dat dergelijk inferioriteitsdenken over voormalig gekoloniseerden in Frankrijk nooit verdwenen is. In weerwil van het Franse idee dat ‘ras’ er niet langer toe doet en dat ‘gelijkheid’ heerst, legt Bouteldja zo de vinger op de zere plek van de blijvende koloniale scheidslijnen. En ze duwt hard door.

Verraad

Witte mensen vraagt Bouteldja (1974) hun witheid te verraden. Witheid, zegt Bouteldja met denkers uit de zwarte radicale traditie, werd uitgevonden om de behoeften van een bezittende klasse te bevredigen. Maar witheid – niet als huidskleur dus, maar als machtsvorm – zit ook witte mensen in de weg. Ze voelen zich permanent bedreigd door de ander, die hen herinnert aan het koloniale project. Zo kon president Macron na de moord op Samuel Paty zeggen dat ‘Frankrijk’ aangevallen was – in plaats van Paty.

Maar witheid houdt ook witte mensen klein, omdat het ze weerhoudt van solidariteit met ‘inheemse’ mensen. Populistisch gezegd: witheid is nuttig voor de één procent, maar verder heeft iedereen er last van, zij het niet-witte mensen het meest. Er is een ‘wit immuunsysteem’ dat mensen doet denken dat ze het meest verheven zijn, het meest verlicht, het minst racistisch, en het meest humanistisch in hun aanbod de ander te ‘integreren’. Maar, aldus Bouteldja, ‘witte mensen weten goed dat hun maatschappij is uitgedroogd. Ze weten dat ze egoïstisch en individualistisch zijn. En ze lijden eronder. Ze zijn vergeten wat ze waren voor ze door de moderniteit werden opgeslokt.’

Bouteldja wijdt een hoofdstuk aan Joden, die, zegt zij, ergens ook weten dat wit antiracisme een masker is. Ze zouden beter moeten weten, zegt ze in solidariteit. Maar het Europese geweten werd na de Holocaust afgekocht door steun aan de staat Israël, volgens Bouteldja ‘de grootste gevangenis voor Joden.’

Bloedbanden

Net als de Israëlische historicus Shlomo Sand en de Jordaans-Amerikaanse historicus Joseph Massad stelt ze dat het idee dat Joden al duizenden jaren bestaan antisemitische fictie is. Juist dat idee legt de identiteit ‘Jood’ vast middels een archaïsch denken over bloedbanden waarin ras, cultuur en religie vermengd worden. Joden delen echter een gemeenschappelijk lot met inheemsen, ook al omdat de Holocaust niet de enige genocide is die Europees racisme heeft voortgebracht. Tussen inheemsen en Joden is, aldus Bouteldja, nog alles mogelijk.

Haar hoop vestigt ze op wat zij een revolutionaire liefde noemt. Die bestaat uit de handreiking van solidariteit, het aanbod om niet langer te denken de erfenis van het kolonialisme te moeten verdedigen. Liefde betekent ook, met Malcolm X, de weigering om de witte Fransman te haten.

Voor Bouteldja betekent dit dat er niet maar één manier is om geëmancipeerd te zijn. In het bijzonder het Franse feminisme krijgt ervan langs: het heeft zich door het patriarchaat laten rekruteren door de witte vrouw als maatstaf te nemen, alsof er in de Franse elite geen seksisme zou zijn.

Provoceren

Bouteldja kiest volmondig voor solidariteit met de inheemse man die zijn vrouw slaat. Ze provoceert daarmee, maar is ook serieus: als de keuze is tussen een Frankrijk met een narcistische Verlichtingssuperioriteit en de inheemse man, dan heeft zij haar keuze gemaakt. Dat is geen keuze voor geweld, maar een weigering van het racisme jegens de inheemse man in diens problematisering als ‘niet geïntegreerd’. Bouteldja bepleit een problematisering van mannelijkheid die veel radicaler is dan het paternalistisch feminisme dat zich bevrijd weet en nu nog moslims denkt te kunnen bevrijden.

Moslims zijn volgens Bouteldja dan ook een enigma voor verlichte Fransen, die – specifiek waar het moslims betreft – moeilijk kunnen begrijpen dat een relatie met God kan bestaan ondanks het genereuze aanbod van verlicht rationalisme. De pure aanwezigheid van Franse moslims ondermijnt zo al de witte Rede. En steeds is het de kwetsbaarheid van witheid die omgezet wordt in de problematisering van de religieuze ander. Alleen wie denkt dat er iets te verdedigen is, is bereid geweld te gebruiken namens de Verlichting.

Bouteldja put uit de zwarte radicale traditie, maar de vraag is in welke mate ze oog heeft voor de verschillende manieren waarop racisme werkt wanneer het islamofobie of antizwart is. Maar haar boek is geen academische verhandeling maar een aanzet tot revolutionaire verandering. De vertaling ervan kan ook in Nederland nieuwe voeding geven aan de strijd tegen racisme. Want hoewel de nationale kenmerken van wat Gloria Wekker het ‘koloniaal archief’ heeft genoemd belangrijk zijn, wijst Bouteldja op het structureel voortbestaan van koloniale scheidslijnen. Die zijn even planetair als het kolonisatieproject dat was.

Haar boek is een evocatie, en soms een pijnlijke confrontatie. Maar het minste dat witte mensen met Bouteldja’s boek zouden moeten doen, is proberen te begrijpen waarom het door velen niet alleen ervaren wordt als herkenning maar ook als troost en zelfs als bevrijding.