Kralingse buitens

In 010

De wieg van Robert Ligthelm stond in Park Vronesteyn, een Voorburgs landhuis in Engelse stijl. Zijn grootmoeder vertelde vol sehnsucht over een verloren gegane wereld van adel, jacht en grote huizen in Mecklenburg-Schwerin. Ligthelms levenslange liefde voor kastelen was geboren. Met als voorlopig sluitstuk het boek De Kralingse buitenplaatsen van de 16e tot de 21e eeuw, dat deze maand bij Pictures Publishers verscheen.

Een prachtige publicatie. Allereerst in vormgeving. Kaarten, tekeningen, schilderijen en oude foto’s tonen een magnifiek beeld van de buitenplaatsen, waarvan Kralingen er ooit veertig telde.

Van alle lusthoven geeft de gepensioneerde Rotterdamse internist een chronologische beschrijving, zowel wat de geschiedenis betreft als de opeenvolgende bewoners. Hij doet dat zeer gedetailleerd, maar wel in een toegankelijke en leesbare stijl. Ontelbare uren bracht Ligthelm door in het (gemeente)archief. De literatuurlijst alleen al is vijfenhalve pagina lang, en ook het notenapparaat is van wetenschappelijke importantie.

De weemoed van zijn grootmoeder doorademt ook dit boek. De huizen van plaisance zijn grotendeels gesloopt, vooral eind negentiende, begin twintigste eeuw. De gemeente Rotterdam, die in 1895 het dorp Kralingen inlijfde, gooide ze tegen de vlakte om bouwgrond te verwerven voor arbeiderswoningen, nodig vanwege de economische groei. En zo veranderden Bethlehem en Jericho, Rozenburg en Woudenstein één voor één in puin.

Een vergeten Arcadië, luidt dan ook de ondertitel. Niet alleen vergeten vanwege de afbraak, maar ook omdat er nauwelijks over is geschreven. Anders ligt dat bij de landhuizen langs de Vecht, die Ligthelm, ter vergelijking, eveneens in zijn verhaal betrekt. Ja, de auteur is niet over één nacht ijs gegaan. Zo weet hij zelfs te melden dat een omgewaaide boom in de winter van 2017/2018 ernstige schade toebracht aan de daklijst van buitenplaats Landzicht.

Wie woonden er in dat ‘parelsnoer van buitens’? Wel, de Rotterdamse stadselite: rijke (haven-) ondernemers, bankiers, wijnhandelaren, leden van de vroedschap en Hugenoten. Adel bivakkeerde er nauwelijks, op de edele Heren van Cralinghe na. Slechts een paar villa’s worden nu nog particulier bewoond, zoals Zomerlust en Trompenburg, waar de vijfde generatie van de redersfamilie Van Hoey Smith verblijft.

Ligthelms boek is een historische uitgave en geen beschrijving van het sociale leven van de elite. Daardoor bleef ik na lezing nieuwsgierig naar wat die rijke lieden allemaal uitspookten in hun lusthoven aan de ’s-Gravenweg en Oudedijk. Wat deden ze ’s avonds ter ontspanning? Was er een sociologisch netwerk van Kralingse welgestelden? En hoe was de verhouding upstairs downstairs?

Hopelijk schrijft Robert Ligthelm een vervolg daarover. Maar vermoedelijk komt er eerst een andere publicatie: over de industriële activiteiten bij de Kralingse buitens. Ligthelms handen jeuken, zo kunnen oplettende lezers uit zijn boek opmaken.