Even jezelf helemaal ergens in kunnen verliezen

Plezier In deze tijd waarin alles nut moet hebben ontdekt opnieuw hoe fijn het is iets te doen, alleen maar om het plezier.

Foto Thomas Nondh Jansen

Wat zijn je hobby’s? Het is een vraag die ik al een eeuwigheid niet meer heb gesteld, of heb horen stellen. We doen natuurlijk nog van alles in onze vrije tijd, maar daar gebruiken we veel minder vrijblijvende woorden voor: aan onze conditie/kracht/lenigheid werken, mindful bezig zijn, een passie volgen, tot het uiterste gaan.

Het woord hobby wordt de laatste jaren vooral gebruikt om de overbodigheid van iets aan te geven – kunst een linkse hobby noemen, bijvoorbeeld, of hard autorijden een rechtse.

Hoe anders was dat in de jaren zeventig en tachtig, de hoogtijdagen van de hobby, toen een hobby nog gewoon een hobby genoemd mocht worden.

Breien

Heel Holland leek te breien, al dan niet geholpen door het halfjaarlijkse breiboek van Hema, dat op het hoogtepunt, eind jaren zeventig, een oplage had van zo’n 250.000 exemplaren. Zelfmaakmodebladen Marion en Knip haalden oplages van 394.699 (in 1974) respectievelijk 371.783 (1973) exemplaren, en in mijn herinnering hingen overal zelfgemaakte macramé-creaties voor de ramen, met houten kralen en grote stukken kurk erin.

De tijdgeest ging bepaald niet onopgemerkt aan ons huis voorbij. Mijn moeder naaide, breide, haakte, tie-dye’de en boetseerde, mijn vader veranderde de badkamer geregeld in een doka, volgde af en toe een kookcursus en timmerde boekenkasten en een bank die mijn moeder dan weer bekleedde. Samen tennisten ze, en waren ze mede-oprichters van de verzuilde badmintonclub ‘De rode shuttle’.

Mijn moeder naaide, breide, haakte, tie-dye’de en boetseerde, mijn vader veranderde de badkamer geregeld in een doka

Ik (1965) begon ver voor de kleuterschool te tekenen, en voegde daar naaien, breien, lezen, schrijven en paardrijden aan toe, en waagde me korte tijd aan het broodpoppenbakken – even een rage. Dankzij goede connecties illustreerde ik het krantje van de lokale afdeling van de PvdA. Lang niet alle kinderen om me heen deelden mijn voorkeuren, maar iedereen deed wel iets: hockey, jazzballet, plakboeken maken, verzamelen, dj spelen in een zelfgebouwde, met aluminiumfolie beklede booth, met muziek van de radio cassettebandjes vullen, een muziekinstrument bespelen. Al was dat laatste niet altijd als hobby, gezien de dwang van sommige ouders.

Het woord hobby wordt de laatste jaren vooral gebruikt om de overbodigheid van iets aan te geven

Het was dan ook een ideale tijd voor hobby’s. Tv was er alleen op woensdagmiddag en in de avond, tot 1988 waren er maar twee Nederlandse zenders. Met name de zondagen leken eeuwig te duren. Afgetrainde lichamen kwamen pas in de jaren tachtig in de mode, van de noodzaak van veel beweging was vrijwel niemand zich daarvoor bewust, waardoor sport nog iets was wat je deed voor de lol.

Autheniek en zelfgemaakt

Er was bovendien een enorme hang naar eerlijk, authentiek en dus zelfgemaakt, en modieuze kleding was nog niet zo goedkoop als nu. Zelf kleding maken enkel en alleen om geld te besparen is natuurlijk de hobby voorbij, maar het omgekeerde is ook waar: als het kant-en-klare resultaat goedkoper is dan het zelfgemaakte, motiveert dat niet om aan de slag te gaan. De zelfgebreide trui – meestal het werk van een moeder – was in de jaren tachtig nog een zeer gangbaar kledingstuk op middelbare scholen.

Met paardrijden stopte ik op de traditionele leeftijd van veertien jaar – iets met hormonen, vermoedelijk – met andere dingen ging ik door. Poppetjes tekenen werd modeltekenen, gebreide poppen werden truien voor mezelf, Barbie-kleertjes kleding voor mezelf en heel af en toe voor anderen.

Kinderhobby’s zijn niet altijd zomaar hobby’s. Ze kunnen de eerste tekenen zijn van een latere beroepskeuze, en niet alleen voor topsporters, dansers en beeldend kunstenaars. Mijn van Jacques Cousteau bezeten broertje, dat ook graag op een boerderij hielp, is biologie gaan studeren. Ik schreef weliswaar de schoolkrant niet vol, maar dat de modetekeningen, tijdschriftjes, verhalen en naaisels hebben geleid tot schrijven over mode, is geen heel onverwachte ontwikkeling. Als kind een hobby hebben geeft nog iets anders: je leert hoe bevredigend het kan zijn om je helemaal in iets te verliezen.

Als beginnend freelance journalist met een bijbaantje in een club liet ik de naaimachine nog graag ratelen voor outfitjes om mee achter de bar te staan. Sinds ik in mijn werk mijn weg heb gevonden, heb ik nog maar incidenteel iets genaaid of getekend. Dat wil niet zeggen dat mijn werk mijn hobby is, maar blijkbaar voorziet schrijven in een behoefte.

Foto Thomas Nondh Jansen

Hadden mijn collega’s van het opinieweekblad waar ik in de jaren negentig werkte hobby’s? Ik zou het niet kunnen zeggen, terwijl we toch vaak met elkaar in het café zaten, maar ik had niet de indruk. Of ik was er niet zo in geïnteresseerd. Een hobby – concert- , theater-, museum-, en bioscoop- bezoek niet meegerekend – leek mij toen iets voor ándere mensen, mensen die het minder getroffen hadden in hun werk. Hobby’s waren Kreatief met Kurk, de onvergetelijke satire uit 1993 en 1994 van en met Arjan Ederveen en Tosca Niterink op het TROS-programma Kreatief met Karton. Nou ja, er was die ene vriend, ook met leuke baan, die met zijn honden naar shows ging. Dat vond ik charmant.

Personal branding

Andere vrienden en kennissen hadden ook wel liefhebberijen, maar die leidden dikwijls snel tot semi-professialiteit: de kussens kwamen in een woonwinkel te liggen, het boek werd zelf geïllustreerd, het verzamelen van tweedehands design werd een inkomstenbron. Dat is de laatste tijd alleen maar sterker geworden: dankzij Etsy, Facebook en Instagram kan iedereen van zijn hobby een bijbaan of een interessante bijdrage aan de personal brand maken, waarmee het natuurlijk gedaan is met de vrijblijvendheid die een hobby een hobby maakt.

Met liefde had ik die lange zondagen af en toe onderbroken voor een melige WhatsApp-groepsdiscussie

Ik zal de laatste zijn om het pre-internettijdperk te idealiseren. Met liefde had ik die lange zondagen af en toe onderbroken voor een melige WhatsApp-groepsdiscussie, en ik had er wat voor gegeven als ik mensen op een andere manier had kunnen bereiken dan via brief of telefoon, al dan niet met antwoordapparaat. Maar, zoals dat gaat, begon ik de waarde ervan te zien toen mijn dochter op haar vijftiende was gestopt met alle buitenschoolse activiteiten en de tijd die ze niet op school, met vrienden, of, oké, lezend doorbracht, vooral achter het scherm zat, en dan had ze nog niet eens Instagram of Facebook. Zou ze iets in haar ontwikkeling missen?

Het duurde nog een paar jaar voor ik besefte dat ik degene was die een hobby nodig had. Mijn dochter had na een jaar twee nieuwe hobby’s gevonden. Mijn moeder had er wel vier, mijn vriend racefietste. Maar ik, al jaren niet meer doordeweeks aan het drinken en alleen nog maar binnenshuis aan het sporten, zat meer avonden op de bank te Netflixen dan goed voor mij was.

Ik nam salsalessen. Dat had ik als dertiger al gedaan, maar ik was ermee gestopt toen ik zwanger was, waarna het dansen was verworden tot een manier van uitgaan. Ik ging weer buiten de deur sporten, en ontdekte dat ik het zo fijn vind om tegen een bokszak te slaan dat sporten niet meer als een verplichting voelt. Ik werd vrolijker en energieker.

Ik moet bekennen dat het noemen van vooral mijn huidige hobby’s met enige gêne en tegenzin gepaard is gegaan. Hobby’s, besef ik nu, zijn een deel van mijn leven dat ik niet per se met iedereen hoef te delen. Erover schrijven maakt het bovendien te serieus, alsof ik er goed in zou moeten zijn. Ook al doe ik mijn best en leer ik van alles, dat ben ik niet en zal ik ook nooit worden. Gek genoeg doet dat niks af aan het plezier.

Je zou kunnen zeggen dat het echte hobby’s zijn.