Opinie

Van overmatig gewenst zijn wordt niemand een leuker persoon

Ellen Deckwitz

Sommige vriendschappen gedijen omdat je op tijd je grenzen hebt aangegeven: zo zijn L. en ik al tien jaar hartsvrienden omdat we vroeg in onze relatie hebben afgesproken hoelang we over bepaalde zaken mogen zeuren. Ik mag bijvoorbeeld iedere keer als we elkaar spreken vijf minuten lang klagen over de Twentse familieroman die ik al twee decennia op papier probeer te krijgen, en hij mag per gesprek vijf minuten haten op de collega die hem al tijden het bloed onder de nagels vandaan haalt door elke vergadering het hoogste woord te voeren en bij de lunch altijd de laatste broodjes weg te grissen. Zondagavond hing L. weer eens uitgelaten aan de lijn.

„Ik weet eindelijk waardoor die gast zo irritant is!” riep hij.

„Je hebt vijf minuten”, zei ik en hij stak van wal. Dit weekend had hij de bewuste collega op straat zien lopen tussen twee bejaarden in. L. had zichzelf met behulp van een mondkapje vermomd en was hen op anderhalve meter afstand gaan schaduwen. De senioren bleken de vader en moeder van de collega te zijn, die hem onophoudelijk prezen, hoe knap hij eruitzag, hoe slim hij was, dat zijn vriendin maar met hem bofte.

„Ze lachten om ál zijn grappen”, zei L., „en opeens begreep ik waarom hij zo onuitstaanbaar is. Hij is van huis uit gewend om aanbeden te worden. Natuurlijk word je dan degene die altijd als eerste de lift betreedt en als laatste sorry zegt. Geen wonder wanneer je van je ouders hebt meegekregen dat de hele wereld op je zit te wachten, natuurlijk ga je je daarnaar gedragen!”

En zo bleef hij foeteren, en ik luisteren. Vijf minuten gingen voorbij, tien, vijftien. Hoe meer ik zweeg, hoe opgefokter hij werd, en hoe opgefokter hij werd, hoe meer pijn het deed. Want als je al tien jaar hartsvrienden bent, weet je ook hoe iemands jeugd verliep. Die van L. werd beheerst door een moeder die hem nooit prees, die altijd benadrukte wat voor teleurstelling hij wel niet was.

„Van overmatig gewenst zijn wordt niemand een leuker persoon”, brieste hij op een gegeven moment, gevolgd door een tirade die door het tempo algauw niet meer te volgen was maar waaruit vlak voordat hij niet meer kon, viel op te maken dat hij ook gewoon jaloers was.

En dat zijn collega er natuurlijk ook helemaal niets aan kon doen dat hij zulke liefhebbende ouders had.

En dat het vooral verschrikkelijk voor de omgeving van hun zoon was, dat ze nooit hadden geleerd om die liefde gewoon netjes voor zich te houden.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.