Franzen is een pompeuze snob – en dat wil hij graag weten

Literatuur De bestsellerauteur Jonathan Franzen trekt een hoog-literaire lange neus naar zijn critici, met de aankondiging van een nieuwe trilogie.

Edward Casaubon is een van de meest tenenkrommende personages uit de Engelse literatuur. Hij is de onverbiddelijke anti-held uit George Eliots roman Middlemarch (1871) en kan zich in saaiheid meten met die andere onmogelijk pedante geestelijke, Mr. Collins uit Jane Austens Pride and Prejudice. George Eliot beschrijft Casaubon als mager, grauw en vaalgeel, „een uitgedroogde boekenwurm van tegen de vijftig”. De negentienjarige heldin van Eliot, Dorothea Brooke, valt niettemin voor zijn perkamenten intellectualisme. Tegen haar zusje Celia dweept ze: „Hij lijkt sprekend op het portret van Locke. Hij heeft net zulke diepliggende ogen”. Celia: „Had Locke ook twee van die witte wratten met haren erop?”

In Middlemarch schrijft Casaubon tot aan zijn voortijdige dood notitieboeken vol voor een werk dat ooit ‘De sleutel tot alle mythologieën’ moet heten. Die notities verstoffen ongelezen op hun planken. Zijn boek komt er nooit.

De Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen kondigde deze week de verschijning van Crossroads aan, zijn zesde roman, tevens het eerste deel van een trilogie. Die trilogie noemt Franzen: A Key to All Mythologies, naar het onvoltooide levenswerk van de fictieve Edward Casaubon.

Even hoogdravend als Casaubon belooft Franzens uitgever dat Crossroads een „meeslepend onderzoek naar menselijke mythologieën” zal zijn. Nou zijn Franzens pretenties even breed erkend en bespot als die van Edward Casaubon en daar is hij zich blijkbaar van bewust. Het startschot voor zijn reputatie van pompeuze snob gaf Franzen in 2001. Toen maakte hij zich, na het uitkomen van zijn roman The Corrections, hardop zorgen over zijn aanstaande optreden in de talkshow van Oprah Winfrey, en wat er zou gebeuren als zijn eigen ‘hoge literatuur’ door Oprah werd besproken. Oprah bedacht zich en trok de uitnodiging aan Franzen in. Het leidde tot een rel die de verkoopcijfers geen kwaad deed.

Jonathan Franzen Foto Frank Ruiter

Later haalde Franzen zich veelvuldig de woede van ‘het internet’ op de hals, onder meer met een van zijn schrijfregels: „It’s doubtful that anyone with an Internet connection at his workplace is writing good fiction.” Bovendien beklaagt hij zich graag over dingen als Twitter en politieke correctheid, over de vercommercialisering van de samenleving en ook, als enthousiast vogelaar, over huiskatten die vogels verslinden.

Bij de publicatie van zijn roman Vrijheid (2010) muntte een aantal vrouwelijke auteurs de term ‘Franzenfreude’: de opwinding van een leger literaire critici bij het verschijnen van een nieuwe Franzen en de golf besprekingen en portretten die onvermijdelijk volgen. Dat zou, volgens de bedenkers van de term, ten koste gaan van minder gevestigde auteurs.

Maar Franzen lacht het laatst en het best. Zijn eigen Franzenfreude moet groot zijn, groter nog dan die van de critici, nu hij zijn reputatie van snob kapitaliseert en vereeuwigt met A Key to All Mythologies, monsterproject en tevens lange neus naar zijn trollen.