Recensie

Recensie Muziek

De magie van de Stones

Expositie Unzipped – Rolling Stones Terwijl je kijkt naar de gitaar van Brian Jones schuif je in de nagebouwde studio van de Stones met de klanken van ‘Angie’. Hé, zonder piano klinkt het vreemd. In het Groninger Museum ben je bij de belangrijkste rockband ooit.

Vest met borduursel en zijden hemd, ca. 1965. Ontwerp van Mr. Fish.
Vest met borduursel en zijden hemd, ca. 1965. Ontwerp van Mr. Fish. Collectie Rolling Stones Archive.

‘Groningen tot ziens hè”, zei Mick Jagger aan het eind van het concert dat The Rolling Stones op 2 juni 1999 gaven in het Stadspark. Het is natuurlijk niet hetzelfde als een liveconcert, maar met de tentoonstelling The Rolling Stones – Unzipped daalt de Stonesgekte opnieuw over de stad neer. Dat begint al met de van verre zichtbare sculptuur van het beroemde beeldmerk van lippen met uitgestoken tong op de brug naar het Groninger Museum. Directeur Andreas Blühm schrijft in het museummagazine dat doorgang van de expositie ter discussie stond in verband met de coronacrisis, maar dat er juist nu behoefte is aan een alternatief voor de concerten en festivals die al maandenlang uitblijven.

Een geluk bij een ongeluk is dat het museum de tentoonstelling Unzipped in verband met de coronamaatregelen ruimer heeft opgezet. Een hele etage werd aan het zalenplan toegevoegd en een extra trappenhuis zorgt ervoor dat bezoekers niet tegen elkaar op hoeven te botsen. Die ruimtewinst laat zich meteen voelen in de zaal waar Charlie Watts’ verrassend simpele Ludwig-drumstel uit de jaren zestig van alle kanten kan worden benaderd, als een zwijgende sculptuur die de ruggengraat vormde van zoveel fantastische rock-’n-rollmuziek.

Lees de recensie van de Stones-expositie in Londen (2016): Het product Rolling Stones

Een scherm met nieuwsbeelden van het spraakmakende concert dat de Stones op 8 augustus 1964 gaven in het Scheveningse Kurhaus is een van de subtiele toevoegingen die het Groninger Museum deed aan de oerversie Exhibitionism van de expositie uit 2016 in de Londense Saatchi Gallery. Gelijk gebleven is de spectaculaire reconstructie van de flat aan Edith Grove (nummer 102) in de Londense wijk Chelsea, waar Mick Jagger, Keith Richards, Brian Jones en soms Charlie Watts een liederlijke puinhoop van hun leefomgeving maakten. Met mooie details zoals de lege blikken Campbell-soep en een afgeleefd exemplaar van de elpee The Best Of Muddy Waters tonen de drie overvolle kamers niet alleen de armoede waarin de aanstormende rockers leefden, maar ook de anarchie die spoedig van hun muziek bezit zou nemen.

Jeugdige opwinding

Daar sta je dan, oog in oog met de krakkemikkige gitaar die Brian Jones gebruikte op het eerste Stonesalbum en de dulcimer die ‘Lady Jane’ zijn unieke sound gaf. Het zijn magische attributen, net zoals de piepkleine opschrijfboekjes waarin Keith Richards de voortgang van de band bijhield. Op 14 februari 1963 schreef hij dat Glynn Johns, toen een aanstormend producer, de band zou gaan opnemen voor een mogelijke plaatuitgave op Decca Records. Wie de geschiedenis erna kent, weet dat zowel Johns als de Stones op Decca een gouden toekomst tegemoet gingen. De hoop en de jeugdige opwinding die uit Keiths pietepeuterige handschrift spreken zijn voelbaar.

Op 27 mei 1966 speelden de Rolling Stones hun nieuwe single ‘Paint It Black’ in het tv-programma Ready Steady Go! Mick Jagger droeg een felrood jasje met zwart-witte biezen en opvallende schouderstukken. Het was gekocht bij een bedrijf dat zich specialiseerde in showkostuums voor de Grenadier Guards, een infanterieregiment met wortels in de zeventiende eeuw. Jagger pronkte met het militaire kledingstuk voor een publiek van gillende meiden. De volgende dag stond er een rij voor de winkel. De deftige kleermakers van M&N Horne Ltd. wisten niet hoe ze het hadden: drommen jonge mensen die opeens zo’n jasje wilden kopen.

Een variatie op het grenadiersjasje (Jagger had er meer dan één) is een pronkstuk in de zaal waar de relatie van de Rolling Stones met de modes uit de jaren 1963-1989 wordt getoond. Artiesten moesten opvallen, vond vooral Mick Jagger. Uniforme kledij zoals The Beatles en andere bands die droegen werd door de Stones spoedig afgezworen. De schaalvergroting van hun concerten leidde tot steeds extravagantere kleding, zoals de fluwelen jumpsuits waarin de zanger vrijuit over het podium kon paraderen. Modeontwerpers Ossie Clark en Anthony Price staken Jagger in steeds kleuriger creaties. In de jaren tachtig komt er een uitbundig element van kitsch kijken bij de protserige ensembles van gekleurd leer en (voor Keith) tijger- en panterprint waarin de Stones over de podia raasden.

Een hele zaal is gewijd aan de opzichtige pakken die Mick Jagger droeg bij zijn vertolkingen van ‘Sympathy For the Devil’. Vaak zijn het vuurrode kostuums, of het naar voodoo neigende doodgraverspak van Gianni Versace dat behangen is met konijnenpoten en andere symbolen van duivels bijgeloof. Charlie Watts bekeek al dat exhibitionistisch vertoon hoofdschuddend van achter zijn drumstel. Als een ouderwetse Engelse gentleman met wortels in de jazz hulde hij zich bij voorkeur in maatpakken van de kleermakers van Savile Row. Keith Richards had een heilige afspraak met zijn vriendin Anita Pallenberg: alles wat ze kochten moest door beiden gedragen kunnen worden. „Charlie ergerde zich te pletter”, wordt Richards geciteerd in de Unzipped-catalogus. „Ik werd een mode-icoon in de kleren van moeder de vrouw.”

Seks & rock-’n-roll

De verleiding is groot om de Stones-tentoonstelling met zijn thematische aandacht voor geschiedenis, mode, muziekinstrumenten, kunststromingen, film en podiumontwerp af te zetten tegen de vergelijkbare indeling van de tentoonstelling David Bowie Is die vanaf 2013 langs twaalf internationale musea toerde en in 2015 Groningen aandeed. Terwijl Andreas Blühm in een essay in het museummagazine overtuigend uiteenzet waarom de Greatest Rock-’n-Roll Band on Earth tot de Barok moeten worden gerekend, gaat de betrokkenheid van de Stones met hogere kunst minder diep dan bij Bowie. Waar David Bowie een artistiek verbond sloot met kunstenaars als Victor Vasarely (de op-arthoes van zijn eerste album) en William Burroughs (de cut-uptechniek in zijn teksten), dient de verbintenis van de Rolling Stones met kunstenaars als Andy Warhol en Martin Scorsese vooral voor het opkrikken van het eigen imago.

Unzipped toont met een handvol polaroidfoto’s van Warhol hoe hij de hoezen van Sticky Fingersen Love You Liveinitieerde. Warhols werkproces wordt inzichtelijk door een prachtige muur met zeefdrukken die hij aan de hand van polaroids van de bandleden maakte. Daarnaast hangen de potloodtekeningen waarop hij de contouren van hun gezichten heeft overgetrokken. De hoezenkunst van de Rolling Stones was vaak bedoeld om te choqueren: van de onderbroek die zichtbaar wordt bij het openen van de (echte) rits op de hoes van Sticky Fingers tot de blootfoto van een uitdagende stripper op de met stickers afgeplakte hoes van Under Cover. De oorspronkelijke naaktfoto hangt in volle glorie op de expositie. Aan seks en rock-’n-roll geen gebrek bij de Rolling Stones. Over drugs wordt nauwelijks gerept, of het moet de ‘penicilline’ zijn die Brian Jones probeerde te kweken in een beschimmelde melkfles.

Zelf mixen in de opnamestudio

Op sommige punten volgt Unzipped de klassieke opbouw van een aan een popgroep gewijde tentoonstelling. Net als in het Beatlesmuseum in Liverpool, het ABBA Museum in Stockholm en het Staxmuseum in Memphis wordt het pièce de résistance gevormd door de replica van een opnamestudio. Dat milde plagiaat zal de Stonesfan een zorg zijn bij het aanschouwen van de nagebouwde Olympic Studio, met achter glas de echte instrumenten die gebruikt werden. De doorzichtige gitaar van Keith, de tabla’s van drummer Charlie en de piano van Ian ‘Stu’ Stewart staan erbij alsof de bandleden op elk moment binnen kunnen lopen om hun magie op het instrumentarium los te laten. Wie zelf wil ervaren hoe het voelt om een Stonesplaat te mixen, kan terecht achter een iPad waar zang, gitaar, bas, piano en drums van ‘Angie’ of ‘Start Me Up’ omhoog en omlaag geschoven kunnen worden. ‘Angie’ zonder piano is een vreemde gewaarwording. Zet bas en drums bij ‘Miss You’ harder en het discoritme wordt nog onweerstaanbaarder dan de plaatversie.

Tonglogo

Naast een boeiende uitstalling van maquettes van podiumontwerpen voor de megatours die de Stones met ingang van Steel Wheels (1989) ondernamen, is een hele zaal met de door Ronnie Wood in bonte kleuren geschilerde setlists wat veel van het goede. Lang niet alle single- en elpeehoezen van de band worden getoond en dat is jammer, want hoezen als die van de Amerikaanse single ‘Have You Seen Your Mother’ met de Stones in travestie en de pop-art van ‘We Love You’ zijn bij uitstek middelen om te tonen hoe de Rolling Stones zich verhielden tot de tijdgeest.

Veel aandacht is er voor het uiterst herkenbare en in veel variaties getoonde tong-logo van ontwerper John Pasche. Op een oogverblindende 3D-schulptuur worden telkens wisselende kleurschakeringen geprojecteerd. Het logo is inmiddels goud waard en staat op T-shirts, mondkapjes en de lijvige catalogus van de tentoonstelling. Daarin zijn onder meer haarscherp de swastika’s te zien die gitaarbouwer Ted Newman Jones op een van Keiths gitaren afbeeldde.

De merchandise-afdeling in Groningen blijft beperkt, vergeleken bij de peperdure Stonesattributen die bij Saatchi in Londen werden aangeboden. Daar liepen opdringerige beveiligers met oortjes rond; hier wachten vriendelijke gastvrouwen en gastheren. Het Groninger Museum rockt, deze winter.