De ernst van tinnitus is nu te meten, tussen de oren

Oorsuizen Hoe meet je geluid dat er niet is maar wel gehoord wordt? Australische onderzoekers kijken naar zuurstof in de hersenen.

Bij een proefpersoon wordt een fNIRS-scan gemaakt. Daarbij wordt het zuurstofgehalte van het bloed in de hersenen gemeten.
Bij een proefpersoon wordt een fNIRS-scan gemaakt. Daarbij wordt het zuurstofgehalte van het bloed in de hersenen gemeten. Foto Mehrnaz Shoushtarian

Piepen, fluiten, zoemen, brommen of suizen. Mensen met tinnitus horen voortdurend geluiden zonder dat die er zijn. Naar schatting een miljoen Nederlanders hebben er last van. Desondanks was er tot nu toe geen manier om de aanwezigheid van tinnitus en de ernst ervan in de klinische praktijk te meten.

Australische onderzoekers menen hier nu een goede manier voor gevonden te hebben, staat deze week in Plos One. „Een betrouwbare objectieve meting van tinnitus maakt het bijvoorbeeld mogelijk om veranderingen als gevolg van behandelingen te volgen”, schrijven de onderzoekers.

Tinnitus houdt verband met veranderingen in het brein, bleek al uit eerder onderzoek met beeldvormende technieken. Voor dit onderzoek is fNIRS gebruikt, functional near infrared spectronomy, waarbij het zuurstofgehalte van het bloed in de hersenen gemeten wordt. De onderzoekers bekeken hersendelen die al eerder met tinnitus in verband werden gebracht in rust en tijdens een activiteit. Er deden 25 mensen met tinnitus en 21 mensen zonder tinnitus mee, de groepen zijn uitgezocht op overeenkomst in leeftijd en gehoorverlies, dat vaak samen met tinnitus optreedt. Met behulp van kunstmatige intelligentie konden patronen gevonden worden in de hersenresponsen en konden mensen met en zonder tinnitus uit elkaar gehaald worden. Ook kon zo met 87 procent nauwkeurigheid bepaald worden of het om matige of ernstige tinnitus ging.

Klinische setting

De onderzoekers denken dat hun meetmethode ook in een klinische setting goed gebruikt kan worden.

Het is niet zo dat groepen met en zonder tinnitus nu voor het eerst onderscheiden zijn, zegt Pim van Dijk, hoogleraar audiologie van het UMCG in Groningen. Zijn vakgroep doet ook veel onderzoek naar tinnitus. In 2012 vergeleken ze bijvoorbeeld fMRI-scans van mensen met en zonder tinnitus. „We maten toen grijze massa in de auditieve cortex, waar geluidsprikkels aankomen. Daar konden we ook mensen met en zonder tinnitus onderscheiden met een specifiteit van 70 tot 80 procent.” Er zijn wereldwijd nog meer onderzoeksgroepen mee bezig, zegt hij.

Toch is er nog steeds geen objectieve meetmethode die in de klinische praktijk wordt gebruikt. „Dat groepen met en zonder tinnitus van elkaar onderscheiden kunnen worden is iets heel anders dan bij een individueel persoon zeggen: u heeft wel of geen tinnitus. Bij tinnitus treden veranderingen op in de hersenen, maar bij gehoorbeperking gebeurt dat ook. Hoe weet je nou zeker dat dat het gevolg is van tinnitus?”

„Voor het stellen van de diagnose heb je eigenlijk geen scans nodig”, zegt van Dijk. „Iemand moet een geluid horen, en je moet vastgesteld hebben dat dat geluid niet van buiten komt. Dat is genoeg.” De aanwezigheid van tinnitus en de ernst ervan wordt tot nu toe bepaald met behulp van vragenlijsten.

„Een objectieve diagnosetool door gewoon even iets op het hoofd te zetten is natuurlijk wel nuttig”, zegt Van Dijk. „Mensen willen hun tinnitus heel graag door een objectieve meting bevestigd zien.”

Ook voor het meten van voortgang in de behandeling, zoals cognitieve gedragstherapie of het gebruik van hoortoestellen, is het handig. „Als iemand in een vragenlijst zegt dat een behandeling zijn of haar tinnitus zachter heeft laten worden dan is dat mooi, maar voor bijvoorbeeld onderzoek naar het nut van behandelingen is het beter om daar een objectieve meting van te hebben.”