Recensie

Recensie Boeken

Nadat hij een fortuin erft verhuist hij naar een luxe-appartement

Nadat een Parijzenaar een fortuin erft neemt hij ontslag en verruilt hij zijn armetierige onderkomen voor een luxueuzer appartement elders in de stad – en valt vervolgens volledig stil. De ‘denkroman’ van de Franse schrijver Eugène Ionesco is opnieuw vertaald

Avenue de Wagram in Parijs.
Avenue de Wagram in Parijs. Foto Getty Images

De Frans-Roemeense schrijver Eugène Ionesco (1909-1994) dankt zijn reputatie met name aan zijn toneelwerk – klassiekers die zestig tot zeventig jaar na afronding nog worden opgevoerd. Zo was De les (1951) afgelopen zomer nog in Nederland te zien (met Bram van der Vlugt als een machtsbeluste professor) en wordt De kale zangeres al bijna 65 jaar lang opgevoerd in het bescheiden Parijse Théâtre de la Huchette. Ionesco schaart men traditiegetrouw onder de absurdisten, al zag hij zelf niet veel in die classificatie.

Hij debuteerde laat, maar schreef toen het eenmaal zo ver was vijftien jaar vlijtig door. Halverwege de jaren zestig stokte de productie van toneelteksten en richtte hij zich op andere tekstgenres. Le Solitaire (1973) is zijn enige roman, al is het woord novelle vanwege de geringe lengte misschien beter op z’n plek. Begin jaren negentig verscheen er een Nederlandse vertaling van bij Coppens & Frenks, een intussen ter ziele gegane fijnproeversuitgeverij. Gelauwerd vertaalster Jeanne Holierhoek herzag de tekst uit die tijd, zodat er nu een nieuwe editie verschijnt.

Een van de eerste dingen die opvalt bij het lezen van De solitair is dat het wel lijkt alsof je een roman van Michel Houellebecq in handen hebt. Neem de volgende passage, waaruit niet alleen een gedeelde thematiek spreekt, maar ook een vergelijkbare toon. ‘De tranen stonden in haar ogen. Ze had een poosje de plaats van Juliette ingenomen, in mijn hart. Maar dat was al een hele tijd terug. Ze was gewend om uren achter de kassa te zitten en kon zich niet meer verroeren. Ze werd dik. Ze wist dat ik anders was dan de anderen, dat aan mij geen eer te behalen viel. Toch ben ik net als iedereen, net als iedereen tegenwoordig, sceptisch, gedesillusioneerd, gauw moe, afgepeigerd, zonder doel in het leven, minimaal werkend – omdat het nu eenmaal moet – een beetje een smulpaap: alcohol, lekker eten, om me nu en dan te onttrekken aan de alomtegenwoordige verbittering en matheid.’ Het sentimentele, dat strenge oog voor lichamelijk verval, het spleen, de afkeer van arbeid, de zucht tot slempen: bij deze lezer ging alleen al in dit fragment vijf maal de De kaart en het gebied-alarmknop af.

Rentenieren

De gedesillusioneerde die zich in bovenstaand fragment tot de lezer richt is een man van in de dertig die al op de eerste pagina’s van de roman zijn ontslag neemt. Een rijke Amerikaanse oom liet hem een fortuin na, waardoor hij de dagen die hem resten rentenierend kan uitzingen.

Een droom lijkt werkelijkheid te zijn geworden, want hij haatte zijn betrekking op kantoor als de pest. Hij kondigt zijn vertrek aan, neemt met een etentje afscheid van zijn collega’s, verruilt zijn armetierige Parijse onderkomen voor een luxueuzer appartement elders in de stad – en valt vervolgens volledig stil. Even overweegt hij nog om te gaan reizen, maar daar komt niks van terecht. Onder het volk komt hij ook niet meer en zijn afscheid van kantoor mondt geleidelijk aan uit in een afscheid van de mens. En in het verlengde daarvan in een afscheid van de maatschappij.

Existentiële reflectie

De solitair is een echte denkroman met weinig tot geen handeling, change of scenery, karakterontwikkeling of dialoog. Wat het wel bevat, en niet zo’n beetje ook, is existentiële reflectie. Die een beetje slepend is en onspecifiek, in alle eerlijkheid. De vereenzamende man geeft het ook ruiterlijk toe: hij is geen geschoold denker, geen filosoof die zich met behulp van zoiets als een structuur los kan denken van het ‘ongemak geboren te zijn’, om Ionesco’s vriend Emil Cioran te citeren.

In wijsgerige zin is het dus een beetje een bij elkaar gesprokkeld zootje, waarmee Ionesco te lang door gaat. Wie weet was de litanie van de verteller krachtiger overgekomen als een acteur hem op een podium zou uitspreken. Maar tegelijkertijd is de tekst ontzettend actueel. Het maakt pijnlijk duidelijk hoe snel het met eens mens mis zal gaan als hij – vrijwillig dan wel onvrijwillig – in de isoleercel belandt. ‘Er bestaat geen grotere tiran’, zo schreef Ionesco’s landgenoot Louis-Ferdinand Céline, ‘dan de hersenen’. De eigen hersenen, welteverstaan. Een waardevolle les, in deze anderhalvemetermaatschappij.