Recensie

Recensie Beeldende kunst

Ik dacht dat ik de schilder Norbert Schwontkowski kende

Tentoonstelling In Kunstmuseum Den Haag valt iets te ontdekken. Norbert Schwontkowski is een veel betere schilder dan iedereen dacht. Verbazingwekkend goed zelfs.

Norbert Schwontkowski, Open Air (2011)
Norbert Schwontkowski, Open Air (2011) Foto Jochen Littkemann/ Estate of Norbert Schwontkowski

Eigenlijk kende ik het werk van Norbert Schwontkowski vooral uit het voorbijgaan. Schwontkowski: typisch zo’n schilder van wie je regelmatig werk op beurzen ziet hangen om er dan toch voorbij te lopen: kleine doeken, aardkleuren, tikje melancholiek. Soms een grap. Kleine gestes. Een enkele keer bleef ik wat langer staan, omdat er wel een interessante eigenheid in doorschemerde: romantiek, kwetsbaarheid, glimlachend balanceren op de rand van de afgrond. Best goed, maar net te weinig ambitie. Onhandige naam ook. En dood: Schwontkowski overleed op 64-jarige leeftijd in 2013, wat de kans op een bloeiende carrière er niet groter op maakte.

Dacht ik.

Toch, toen het Kunstmuseum in Den Haag vorige maand zijn solotentoonstelling Everyone wants to go home aankondigde, was ik nieuwsgierig genoeg om te gaan kijken. Bij de ingang meldt het museum tamelijk droogjes „dat op Iedereen wil naar huis voor het eerst vooral de grote schilderijen bijeen [zijn] gebracht”. Om vervolgens de nadruk te leggen op Schwontkowski’s schetsboekjes die Kunstmuseum-curator Daniel Koep heeft gevonden en waaruit hij zowaar de conclusie trekt dat Schwontkowski voor veel van zijn schilderijen eerst schetsen maakte – duh, en opnieuw: de nadruk op het kleine.

Maar dan gebeurt er iets geks: ik loop de eerste zaal binnen en kan niet goed geloven dat dit diezelfde Schwontkowski is wiens reputatie al min of meer in steen is gebeiteld. Alle kleinheid is verdwenen: in die lekkere weidse openingszaal van het Kunstmuseum hangen minstens tien doeken, waarvan zeker vijf van 1,60 bij 1,80 meter, soms zelfs oplopend tot twee bij twee meter. En nog opmerkelijker: al die doeken zijn enorm krachtig, terwijl ze nog steeds het beste bewaren van Schwontkowski’s intimiteit.

Zachtwitte maantjes

Neem Open Air (2011). Het is nacht, en in de hemel en op het veld heersen de duisternis. Daardoor wordt alle aandacht getrokken door een spierwit doek in het midden, strakgespannen op een geraamte. Is het een reclamebord? Een filmdoek? Dat laatste lijkt waarschijnlijk, want op het veld voor het doek staan tientallen auto’s, kleine, zachtwitte maantjes op de daken. De auto’s zijn op het doek gericht, maar daar is niet veel te zien, alleen licht, eeuwigheid, oneindigheid – en toch blijven ze heel tevreden staan.

Helemaal Schwontkowski natuurlijk: weg met het grootse, alle aandacht voor het kleine, het onzichtbare, gecombineerd met een liefde voor de nacht als fase waarin waarden en waarheden wankelen. Maar doordat het doek 2 bij 2 meter is, en daarmee groter dan de toeschouwer, gebeurt er iets bijzonders: het doek neigt over je hoofd, je kunt de wereld van Open Air in stappen, en zo nodigt het landschap je uit er rond te dwalen – al is dat natuurlijk niet van harte, want de melancholie, eenzaamheid zelfs, zijn nogal overweldigend. Maar de conclusie is simpel: wat een verschil met Schwontkowski’s kleintjes! Dit is geen schilderij waar je zomaar langs wandelt, dit werk slurpt je op en zuigt je naar binnen – geen ontsnappen aan.

Norbert Schwontkowski, Winterstudio (2011)

Foto Jochen Littkemann/ Estate of Norbert Schwontkowski

En zo gaat het door, de ene verbazing na de andere. Good Year (2008): een verlaten garage, vermoedelijk bij schemering, vol stapels autobanden en kabels, prachtig in de suggestieve eenzaamheid der dingen. Winterstudio (2011): een verlaten ruimte, tikje surrealistisch, met, voor Schwontkowski’s doen, opvallend felblauwe muren. Daarin een witte ijskast, een radio en een kachel, en een lange waslijn waaraan twintig identieke zwarte sokken hangen – in plafond, wand én vloer zit een onbestemd rond gat dat op het vloerdeel met provisorische plankjes is afgedekt.

Of Strom (2007): een nachtelijk rivierlandschap waarboven zojuist een apocalyptisch onweer is losgebroken – de lichtflitsen schieten zo breed door de lucht dat ze net boomwortels lijken. Het is opvallend theatraal voor Schwontkowski’s doen, maar laat ik het maar toegeven: ik vind het prachtig. In dit doek zie je goed dat Schwontkowski een rechtstreekse afstammeling is van de Duitse oer-romanticus Caspar David Friedrich, die als geen ander in staat was het landschap te gebruiken als ‘projectiescherm’ voor menselijke gevoelens. Daar kan Schwontkowski ook wat van: hij is onmiskenbaar een hele goede loot aan de romantische stam die bij Friedrich begon en nog steeds doorgroeit, met vertakking naar kunstenaars als Michael Raedecker en, vooral, Peter Doig.

Norbert Schwontkowski, Elektriciteit (Strom) (2007)

Foto Kunstmuseum/ , particuliere collectie

Pijnlijk

Waarom wist ik dit allemaal niet?

Om eerlijk te zijn: ik denk daar nog steeds over na. Oké, Schwontkowski is geen Doig, maar het verschil in waardering is wel héél groot. Neem deze expositie, die eerder alleen in Bonn en zijn woonplaats Bremen te zien was – geen belangstelling, blijkbaar, uit Amerika of de rest van Europa. Of neem, nog pijnlijker, de poen. Vorige maand nog, werd er een Peter Doig (Boiler House, 1993) geveild voor ruim 15 miljoen euro – en dat is nog niet eens zijn duurste. De hoogste prijs ooit voor een Schwontkowski bedraagt, inclusief veilinggeld, 49.000 euro – volgens hedendaagse kunstmarktnormen ronduit een lachertje.

Wat is hier, nogmaals, aan de hand?

Zeker, dit alles zou heel goed kunnen komen doordat veel van die grote, ‘nieuwe’ schilderijen stammen uit de laatste vijf jaar van Schwontkowski’s leven en dat een groot aantal ervan (in Den Haag al meer dan dertig!) nog in het bezit zijn van de erven. En zoals gezegd: Schwontkowski is ook niet zo slim-uitbundig als Doig, zijn melancholie is te Duits, te somber en die kleine doeken zijn ook wel echt heel nietig.

Toch verliet ik het Kunstmuseum met een gevoel dat me nog maar zelden overkomt: dat ik iets had ontdekt, dat er al jaren een unieke wereld ergens in die schemering had liggen te wachten. Mis dit niet.