Oorlellen die om gesabbel smeken

Acteur en regisseur Rupert Everett doorbreekt een groot taboe: het taboe op falen. Zijn pogingen om ‘The Happy Prince’ gemaakt en voltooid te krijgen gingen bepaald niet van een leien dakje.
Peter de Bruijn

Journalisten die hun gebruikelijke rondje maakten op het filmfestival van Berlijn stonden twee jaar geleden voor een verrassing. De routine voor de pers is op een filmfestival altijd hetzelfde: eerst is er de filmpremière, later volgen korte gesprekken aan ‘ronde tafels’ met ‘het talent’ – excuses voor het jargon. De gesprekken bestaan half uit promotiepraat, half uit oprechte pogingen om echt iets op tafel te krijgen. Maar na de première van The Happy Prince, een biopic over de nadagen van Oscar Wilde, vertoonde de machine ineens enige haperingen.

Hoofdrolspeler, scenarioschrijver en regisseur Rupert Everett speelde het spel niet mee. Hij begon uitgebreid uit de doeken te doen wat een lijdensweg het voltooien van zijn eerste speelfilm was geweest. Eerst schaarde de grote Amerikaanse producent Scott Rudin zich erachter, maar al snel niet meer. Daarna ging hij aan de slag met een lijstje van beroemde regisseurs, die hij voor zijn script probeerde te interesseren. Hij kreeg steeds nee te horen, maar dat kostte hem wel twee jaar.

Uiteindelijk wist hij de film van de grond te krijgen met geld uit Duitsland en België. Maar in totaal had The Happy Prince Everett twaalf jaar van zijn leven gekost. Hij gaf mismoedig toe dat hij spijt had dat hij zijn Hollywood-roem van weleer had laten wegglippen – Everett speelde de ‘gay best friend’ van Julia Roberts in My Best Friend’s Wedding.

Everett doorbrak schijnbaar achteloos een groot taboe: het taboe op falen. Ogenschijnlijk kan tegenwoordig vrijwel alles worden gezegd en overal over worden gepraat; de grootste jeugdtrauma’s worden in talkshows en passant uit de doeken gedaan. Maar teleurstelling, falen en mislukken, dat is nog steeds een onderwerp waar niemand graag over praat.

Echt verbaasd hoefden de journalisten misschien niet te zijn, want Everett had al naam gemaakt met zijn ongewoon openhartige memoires Red Carpets and Other Banana Skins en Vanished Years. Aan die reeks heeft hij nu To The End of the World (Little, Brown, 337 blz.) toegevoegd, waarin hij de hele saga van The Happy Prince nog eens met dramatische flair uit de doeken doet. Hollywood is ver weg. Everett verblijft nog steeds in de beste hotels, op zoek naar locaties voor zijn film. Maar hij is inmiddels wel een meester in afdingen op de prijs.

Lees ook een interview met Rupert Everett over ‘The Happy Prince’: ‘Oscar Wilde is onze Christus’

Of hij zich als schrijver echt laat kennen blijft twijfelachtig. Zijn verhaal over het verstrijken van de tijd en het verval van zijn carrière sluit thematisch verdacht goed aan bij zijn grote obsessie: de lijdensweg van Oscar Wilde, zijn idool en zijn god (‘Wilde is de Christus van homoseksuelen’).

Everett is nostalgisch naar zijn wilde jeugdjaren en weigert zich te schikken in de ‘puriteinse wind’ die opstak „in deze vervloekte eeuw”. Als hij de beroemde voetballer Thierry Henry tegen het lijf loopt in de Eurostar naar Parijs beschrijft hij diens „verrukkelijke kleine oorlellen, die erom smeken te worden gesabbeld”. De editor van zijn film introduceert hij door eerst zijn welgevormd achterwerk te beschrijven. „Hij heeft nog steeds de kont van een dertigjarige”. Everett speelt als schrijver nog steeds een rol – als acteur kan hij dat niet laten. Maar zijn rol is behalve geestig ook moedig en origineel.

Peter de Bruijn is filmrecensent.