Waarom Macron hoogstpersoonlijk de redactie belt

Presidentiële interventies In zijn ‘strijd tegen de radicale islam’ belt de Franse president Macron internationale nieuwsredacties om zijn gelijk te halen. Sommige media haalden kritische stukken offline.

Bij een nationale herdenkingsplechtigheid op een binnenplaats van de Sorbonne-universiteit op 21 oktober bewijst president Macron de laatste eer aan de vermoorde leraar Samuel Paty.
Bij een nationale herdenkingsplechtigheid op een binnenplaats van de Sorbonne-universiteit op 21 oktober bewijst president Macron de laatste eer aan de vermoorde leraar Samuel Paty. Foto Francois Mori/AP

De telefoon op de redactie gaat en het is de Franse president Emmanuel Macron. Die wil even wat rechtzetten.

Deze hoogst ongebruikelijke manoeuvre zou het goed doen als scène in een politieke thriller op Netflix. Maar voor verslaggever Ben Smith van The New York Times is het realiteit. „President Macron belde me vanuit zijn kantoor in het Élysée om zijn beklag te doen.” En Macron was boos, schreef Smith maandag.

Volgens de president legitimeren Angelsaksische media het terroristisch geweld waarvan Frankrijk de laatste maanden opnieuw het slachtoffer is geworden. Zij doen dat met name door voortdurend te wijzen op de vermeende islamofobie in de Franse samenleving. Maar het probleem is, volgens de Fransman: Engelstalige media begrijpen Frankrijk niet. „Ons model is universeel, niet multicultureel, in onze samenleving maakt het niet uit of iemand zwart, geel of wit is, katholiek of moslim; een persoon is eerst en vooral een burger.”

Macrons telefoontje naar The New York Times is slechts het laatste voorval in een oplopende ruzie tussen Frankrijk en Engelstalige media. Vorige maand haalde de website Politico een opiniestuk weg van de Frans-Iraanse onderzoeker Farhad Khosrokhavar in de nasleep van de moord op leraar Samuel Paty. Khosrokhavar stelde dat de geroemde Franse laïcité (secularisme) een staatsgodsdienst is geworden. Wie de laïcité bekritiseert, wordt volgens hem weggezet als iemand die links meeheult met de islam.

Op 3 november haalde de Financial Times een artikel offline na een telefoontje van Macron. Macrons oorlog tegen het ‘islamitisch separatisme’ verdeelt Frankrijk alleen nog meer, luidde de kop boven het artikel van Mehreen Khan, EU-correspondent van de Britse krant. Khan, die zichzelf een Britse moslima noemt, was door haar redactie gevraagd een opiniestuk te schrijven. Het wekte Macrons woede: in zijn toespraken heeft hij het consequent over ‘islamistisch’ en niet, zoals Khan schreef, ‘islamitisch’ separatisme. Die extra ‘s’ maakt volgens Macron het verschil tussen de politieke of radicale islam en de islamitische gemeenschap in het algemeen. Zonder correspondent Khan in te lichten haalde de Financial Times het artikel weg en plaatste de volgende dag een weerwoord van Macron zelf. „Wie had zich kunnen voorstellen dat uitspraken van het hoofd van een G7-lidstaat in het openbaar door deze nieuwsorganisatie zouden kunnen worden verdraaid”, klonk het op belerende toon.

Het is niet voor het eerst dat er harde woorden vallen tussen Frankrijk en de Angelsaksische wereld. Toen in januari 2015 Charlie Hebdo werd aangevallen, was de internationale solidariteit eerst absoluut en ondubbelzinnig. Maar al snel gingen met name in de Engelstalige wereld stemmen op dat Charlie Hebdo zelf racistisch en islamofoob was en die onvoorwaardelijke steun niet verdiende. Nu Frankrijk vijf jaar later opnieuw slachtoffer is van terreuraanslagen, voelt het zich in de steek gelaten.

„Wanneer The Washington Post of The New York Times schrijven dat wij de oorlog hebben verklaard aan de islam, is dat heel gewelddadig,” zei Macrons woordvoerster Anne-Sophie Bradelle begin deze maand in Le Monde. „Zeker wanneer dat komt van landen die verondersteld worden onze waarden te delen. Het is alsof wij terwijl het puin van ground zero nog nasmeulde, hadden gezegd dat de Amerikanen het aan zichzelf hadden te danken.” Na de gruwelijke moord op Paty is voor kritiek op de respons op deze en soortgelijke aanslagen in Frankrijk momenteel weinig ruimte.

Op Twitter nam Lauren Collins, Parijs-correspondent van The New Yorker, het op voor haar collega’s van de Post en de Times. „Wat zij en andere Amerikaanse journalisten in Frankrijk doen, is wijzen op de kloof die bestaat tussen het ideaal en de praktijk.” Als Macron zegt dat Frankrijk geen kleur ziet, aldus Collins, „dan zegt de Amerikaanse journalist: hoe kan dat waar zijn als wij weten dat een zwart of Arabisch persoon in Frankrijk twintig keer meer kans heeft om door de politie gecontroleerd te worden?”

Macron gaf in zijn toespraak over het ‘islamistisch separatisme’ zelf toe dat niet alles rozengeur en maneschijn is. „Wij hebben wijken gecreëerd waar de Republiek zijn beloftes niet is nagekomen,” aldus Macron. Maar, zo verdedigt hij zich in de Financial Times, „Frankrijk is tegen fanatisme en gewelddadig extremisme.” En: „Wij hebben geen behoefte aan artikelen die ons verdelen.”

In Brussel heeft Macrons persoonlijke campagne voor verontwaardiging gezorgd onder diplomaten en journalisten. Moeten we vanaf nu vrezen dat Macron „de hoofdredacteur wel even belt, zodra een artikel hem niet bevalt?” vraagt een bron in de EU-hoofdstad. Het offline halen van een opiniërend artikel na een telefoontje van een staatshoofd is moeilijk te rijmen met de manier waarop ‘Brussel’ hamert op de vrijheid van meningsuiting als een vaste waarde van de EU. Juist daarom ligt de EU op ramkoers met een land als Hongarije, waar de regering de meeste onafhankelijke media de mond heeft gesnoerd. Dat juist de in Brussel zo gezaghebbende Financial Times en Politico gevoelig zijn voor de druk van Macron, is voor veel Brusselse waarnemers dan ook onverteerbaar.

,,Het voldeed niet aan onze redactionele criteria”, luidde de verdediging van de Brusselse Politico-hoofdredacteur na het weghalen van het opiniestuk van Khosrokhavar. Daags erna publiceerde Politico een stuk van een van Macrons woordvoerders, die het beleid van de president nog eens mocht toelichten.