Opinie

Bijzonder onderwijs komt met ieder antiwesters incident verder onder druk

Grondrechten

Commentaar

Zijn ouderverklaringen tegen homoseksualiteit als ballotage voor een reformatorische middelbare school nog ‘van deze tijd’? Minister Arie Slob (ChristenUnie, Onderwijs) dacht deze week nog van wel, maar ondervond dat de onderwijsvrijheid politiek een stuk kleiner was dan hij had beweerd. Na kabinetsoverleg moest hij een pijnlijke draai maken, voor hem althans. Hij kwam snel met een veel beperktere interpretatie van art. 23 van de Grondwet. De daarin vermelde ‘eerbiediging van ieders levensovertuiging’ betekent niet dat homoseksuele leerlingen het maar met een minder veilig onderwijsklimaat moeten doen. Ofwel artikel 1 van de Grondwet, het recht op gelijke behandeling, mag hier zwaarder wegen dan de onderwijsvrijheid.

En dat is maar goed ook. Vrijheid van onderwijs is belangrijk, maar niet onbegrensd. Die kan botsen met andere grondrechten. En dan is een afweging nodig van, in dit geval, het recht op een onbelemmerde eigen seksuele identiteit tegen de bescherming van minderheden met afwijkende standpunten. Die afweging is niet nieuw, ook niet in het onderwijs. Homoseksuele leraren in het bijzonder onderwijs mogen niet om die reden ontslagen worden. Ook de vrijheid van zogeheten ‘weigerambtenaren’ van de burgerlijke stand om homostellen niet te hoeven trouwen is ingeperkt.

Eenvoudig gezegd, de tijden zijn inderdaad veranderd. Het recht om niet gediscrimineerd te worden als homoseksuele leerling op een christelijke school weegt zwaarder dan het recht om het tegenovergestelde in de onderwijspraktijk te brengen. En terecht. Het incident past in de recent gestegen spanning rond identiteit, cultuur en waarden waar fel over wordt gebotst. Het meningsverschil uit de jaren negentig over de christelijke zondagsrust versus de ‘liberale’ zevende koopdag doet nu onschuldig aan, zelfs nostalgisch.

Het wetsartikel over onderwijsvrijheid uit 1917 mag dus met een bril uit 2020 worden gelezen. Het is naar analogie van het Europese mensenrechtenverdrag uit 1950 een ‘living document’ dat mee moet kunnen ademen met de moderne tijd. Dat is voor sommige minderheden wennen – minister Slob richtte vol de aandacht op wat de facto een misstand op orthodox-christelijke scholen is, die tot nu toe steeds werd afgedekt met een beroep op onderwijsvrijheid. Maar die al lang niet meer door de beugel kon.

PvdA en VVD zijn al een poosje voorstander van een ‘modernisering’ van dit artikel, maar dan vooral geïnspireerd door islamitische scholen. Daar zou onder dekking van onderwijsvrijheid kinderen intolerantie en ongelijkheid worden bijgebracht. Recente zeer ernstige incidenten over politieke tekeningen bevestigen dat hier een ‘parallelle samenleving’ (Asscher) ontstaat, gericht op afwijzing van westerse waarden. Dat de vrijheid van onderwijs die faciliteert is onmiskenbaar. De moord half oktober op de Franse leraar geschiedenis Samuel Paty demonstreerde welke risico’s mede daardoor worden gelopen. De schok was voelbaar en zichtbaar in de retorische veroordelingen van de Franse president Macron, na de moord op Paty. Niet bij ons, pas chez nous – niet in Frankrijk, jamais, zo hamerde hij in een tv-interview. Een land waar nota bene vrijwel al het onderwijs nadrukkelijk openbaar is en kerk en staat principieel gescheiden.

Zulke schokkende incidenten roepen fundamentele vragen op, in het bijzonder over bijzonder onderwijs. Met ieder incident brokkelt het draagvlak daarvoor af. Dat een christelijke minister van Onderwijs deze week zélf de aanleiding vormde, is niet zonder ironie.

Naarmate de druk op westerse samenlevingen groeit, neemt het besef van de kwetsbaarheid van eigen identiteit, waarden en cultuur navenant toe. Het roept de vraag op of we toe zijn aan een consolidatie van het onderwijs langs die lijn. Moet alle onderwijs openbaar worden? Dient de gelijke publieke financiering van bijzonder onderwijs te worden gestaakt? Homo’s discrimineren, mannen bevoordelen of kritiek op de profeet Mohammed taboe verklaren, zijn zaken die niet in deze samenleving passen.

Vooralsnog praten we hier vooral over lessen burgerschap. Dat zou genoeg kunnen zijn. Voor louter openbaar onderwijs waar geen eigen ruimte is voor levensovertuigingen, is het te vroeg. Het uitbreiden van de competenties van de Onderwijsinspectie zou genoeg kunnen zijn om de onrust over religieus gefundeerde scholen weg te nemen, waar ouders onacceptabele verklaringen moeten tekenen. Maar duidelijk is ook dat politiek en bestuur de ontwikkelingen scherp in de gaten moeten houden. En niet moeten aarzelen om wetten te moderniseren en grondrechten te verdedigen. Ook die van vrij onderwijs.