Recensie

Recensie Beeldende kunst

Van schraal en bescheiden tot uitbundig mooi

Voordeuren | fotoboek Honderden Amsterdamse voordeuren fotografeerde Thomas Schlijper op zijn tochten door de stad. Hiervan staan er nu 250 in een boek. Wat zeggen de Amsterdamse deuren?

Voordeuren in Amsterdam. Rechts het Raepenhofje aan de Palmgracht.
Voordeuren in Amsterdam. Rechts het Raepenhofje aan de Palmgracht. Foto's Thomas Slijper

Een deur is veel meer dan een stuk hout of glas, schrijft architectuurhistoricus Pieter Vlaardingerbroek in een van de veertien columns in het fotoboek Voordeuren van Amsterdam van stadsfotograaf Thomas Schlijper. „Een spiegel van het leven”, noemt Vlaardingerbroek de deur, en ook „een verbeelding van het karakter van de bewoner”.

Als een deur dit allemaal is, dan waren de jaren zeventig en tachtig barre, schrale tijden zonder enige verbeelding. Het was de tijd van de stadsvernieuwing in de Jordaan, de Oostelijke eilanden en 19de-eeuwse buurten als de Kinkerbuurt. De stadsvernieuwing werd aangejaagd door de legendarische wethouder Jan Schaefer (1940-1994). Met ‘in gelul kun je niet wonen’ als strijdkreet hielp hij vele duizenden Amsterdammers aan een adequate én betaalbare woning. Maar de architectuur leed onder zijn voortvarendheid. Schaefers stadsvernieuwing bestaat grotendeels uit bleke woningblokken en is een architectonisch dieptepunt in de Amsterdamse woningbouw.

Ook de deuren werden getroffen door Schaefers ‘niet-lullen-maar-poetsen’-mentaliteit. De meeste stadsvernieuwingswoningen kregen een voordeur die niet veel meer is dan een plank, zo is ook te zien in Voordeuren van Amsterdam. Soms hebben ze een rond of klein rechthoekig raampje en is er aan de onderzijde een dunne staalplaat bevestigd ter voorkoming van beschadigingen. Maar vaak zijn ze niet meer dan een gladde, doodse plaat triplex of kunststof met een deurknop boven een slot aan de buitenkant en een deurkruk aan de binnenkant. Over het karakter van de bewoners van de woningen zeggen ze helemaal niets.

Levantkade, KNSM-eiland.
Foto Thomas Schlijper
Oostzaanstraat, deur in Het Schip in de Spaarndammerbuurt (1920).
Foto Thomas Schlijper
Foto’s Thomas Slijper

Vast niet toevallig is in Voordeuren van Amsterdam een foto van twee deuren van Het Schip in het boek geplaatst tegenover die van de Levantkade 151-165 op het KNSM-eiland. Het contrast laat pijnlijk de teloorgang van de deur in de twintigste eeuw zien en doet je elk geloof in de vooruitgang verliezen. Het Schip uit 1920, het beroemdste van de sociale-woningblokken van de Amsterdamse Schoolarchitect Michel de Klerk, heeft mooie, rijke deuren, waaraan de ontwerper zichtbaar veel aandacht heeft geschonken. Het pand op het KNSM-eiland moet het doen met een anonieme, haveloze deur die een jaar of dertig geleden is geproduceerd in de enorme deurenfabriek ergens in Nederland die toen het monopolie had in deuren voor sociale-huurwoningen.

Inmiddels is de tijd van de plankdeuren voorbij. Deuren van recente, 21ste-eeuwse woningblokken, ook de sociale, zijn meestal weer meer dan planken, al kunnen ze zich nog niet meten met die van een eeuw geleden. Maar de huidige deuren hebben het fotoboek van Schlijper niet gehaald. Voordeuren in Amsterdam is dan ook niet een encyclopedisch werk dat de geschiedenis van de Amsterdamse deur door de eeuwen heen wil laten zien, maar een willekeurige verzameling ingangen die Schlijper fotografeerde op zijn talrijke tochten door de stad. Die maakte hij vooral binnen de ring; van bijvoorbeeld deuren uit de tijd van de wederopbouw in de Westelijke Tuinsteden is geen spoor te bekennen. Wel stuitte hij soms op raadselachtige deuren, zoals een puntige glazen plaat in een zwarte, golvende muur die lijkt gemaakt van staal en beton. Asterweg, luidt het wat al te summiere bijschrift waaruit de lezer weinig wijzer wordt.

Veel van de 250 foto’s van deuren, variërend van doodse glazen winkeldeuren tot statige, door glas-in-lood-ramen omgeven poorten in Amsterdam-Zuid, hebben het karakter van snap shots. Op een aantal foto’s zijn het ook niet de deuren die de meeste aandacht eisen, maar bijvoorbeeld een weelderig bloeiende rozenstruik die aan een muur in de Bellamystraat hangt, of drie eenden die met ingetrokken poten liggen op grijze stoeptegels in de Rapenburgerstraat.

Een van de mooiste foto’s – en deuren – in Schlijpers boek is die van de knalrode deur van het Raepenhofje op de Palmgracht, met een knolraap in reliëf op de sluitsteen in de bakstenen boog boven de deur. Opmerkelijk genoeg lijkt de ingang van het hofje, in 1648 gebouwd voor twaalf oude protestantse vrouwen, op die van het voormalige stadhuis op de Dam uit 1655. Weliswaar heeft het kolossale stadhuis, nu een koninklijk paleis, zeven ingangen met bogen, maar die zijn nog soberder dan die van het hofje en kennen geen enkele opsmuk.

Foto’s Thomas Slijper

Waarom de ingang van het door Jacob van Campen ontworpen stadhuis, dat Amsterdammers in de 17de eeuw beschouwden als het achtste wereldwonder, zo bescheiden is, is nog steeds niet duidelijk, schrijft Alice Taatgen, conservator Koninklijk Paleis Amsterdam in een van de betere columns van diverse auteurs, onder wie Kluun en Ronald Giphart, die ongeïnspireerd werk hebben afgeleverd. Voor de stelling dat de zeven kleine smalle poorten een verwijzing zijn naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestaat geen enkel bewijs. Taatgen veronderstelt dat de smalle doorgangen, met ijzeren hekken als deuren, waren bedoeld om opstandig gepeupel gemakkelijk buiten de deur te houden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.