Leerlingen van een reformatorische basisschool in Barneveld.

Foto Jeroen Jumelet/ANP

Interview

Onderwijshistoricus Pieter Slaman: ‘Artikel 23 is vaag en tegenstrijdig’

Artikel 23 Weer laaide deze week de discussie over de vrijheid van onderwijs op. Volgens historicus Pieter Slaman is de situatie „onhoudbaar”.

Toen onderwijshistoricus Pieter Slaman terugluisterde wat minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) maandag nou precies zei over homoseksualiteit tijdens het debat over burgerschapsonderwijs, hoorde hij weinig bijzonders. „Hij legde feitelijk uit hoe de wet werkt. Daar kun je het mee oneens zijn, maar aangifte doen gaat wel ver.”

Toch is dat wat deze week gebeurde. Tijdens het debat kwamen identiteitsverklaringen ter sprake die ouders van leerlingen op reformatorische scholen al jaren moeten ondertekenen. Daarin staat onder meer dat zij een homoseksuele levenswijze afkeuren. SP, GroenLinks, PvdA en D66 vielen Slob hierop aan: scholen moeten toch een veilige omgeving zijn voor leerlingen? Hoe valt dat te rijmen met die verklaringen? Slob antwoordde dat deze onder grondwetsartikel 23 vallen.

Tot ontsteltenis van veel mensen. Onder meer politienetwerk Roze in Blauw deed aangifte tegen Slob vanwege „mogelijk strafbare uitspraken”. De publieke pijlen richtten zich direct op artikel 23: het artikel dat de onderwijsvrijheid regelt en al bediscussieerd wordt sinds de invoering ervan bij de pacificatie van 1917, die een einde maakte aan de schoolstrijd. De PvdA en VVD willen het grondwetsartikel wijzigen en hier en daar klinkt de roep het „dan maar af te schaffen”.

Het is een „vaag en tegenstrijdig” artikel, zegt Slaman, die er onderzoek naar deed. Er staat niet alleen in dat het onderwijs „vrij” is, maar ook dat de overheid verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs. „Met een beroep op dat deel zijn er de afgelopen decennia enorm ingrijpende verplichtingen opgelegd aan scholen”, zegt hij. „Denk aan de Mammoetwet, het studiehuis, de basisvorming.”

In het wetsartikel zelf, legt hij uit, zit dus een botsing: de onderwijsvrijheid kan op basis van hetzelfde wetsartikel worden ingeperkt. Artikel 23 is dus niet ‘absoluut’. „Maar confessionele partijen leggen het wel graag zo uit: kom niet aan de vrijheid van onderwijs. Dat is flauw, want het is maar een deel van de wet. Aan hetzelfde artikel 23 kun je óók de redenering ophangen dat iedereen zich vrij en veilig moet voelen op school, omdat de overheid verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs.”

Restje van de verzuiling

De formulering van artikel 23 komt voort uit de verzuiling, een tijd waarin er verschillende ideologische en religieuze groeperingen waren die geen van alle een meerderheid hadden. „De enige praktische oplossing was toen: iedereen moet het zelf maar weten”, zegt Slaman. Maar van de verzuiling is weinig meer over, religieuze groepen zijn gemarginaliseerd. „Er is een duidelijke meerderheid ontstaan in Nederland die zegt: de vrijheid en gelijkheid van elk individu staat boven alles.”

De afgelopen jaren zijn allerlei wetten ingevoerd die die richting op bewegen, zegt Slaman: ze beschermen het individu tegen de groep. „Tot een paar jaar geleden mochten christelijke scholen homoseksuele leerkrachten bijvoorbeeld nog ontslaan, als ze die geaardheid konden combineren met andere klachten. Nu niet meer.”

Dat orthodoxe scholen middels een identiteitsverklaring leerlingen mogen weigeren, is volgens Slaman ook niet langer houdbaar. „Van een hele grote meerderheid van de kiezers wordt gevraagd om respect en ruimte op te brengen voor een heel klein clubje. In de ChristenUnie voelen ze zich daar ook ongemakkelijk bij.”

Lees ook dit interview met minister Slob: ‘Handen af van de vrijheid van onderwijs’

Een ander argument om tegen de identiteitsverklaringen van scholen op te treden, zegt hij, is dat jurisprudentie tot twee categorieën scholen heeft geleid. „Alléén de scholen met zo’n verklaring, maximaal een paar procent, mogen leerlingen weigeren. Dat heeft de rechter bepaald. Maar de overgrote meerderheid van de scholen mag dat absoluut niet. De wetgever zou daar iets aan moeten doen”, vindt Slaman.

En dat kán dus ook met artikel 23 in de hand. „ Je kunt wetten maken, leerdoelen formuleren, de inspectie ruimere bevoegdheden geven. In de meest uiteenlopende omstandigheden zijn telkens weer dingen verzonnen om het onderwijs in goede banen te leiden.”

Een van die ‘omstandigheden’ is de opkomst van het islamitisch onderwijs in de jaren 80: een bijkomstigheid van artikel 23 waar de politici uit 1917 niet op hadden gerekend. En ook die in de jaren 80 niet: vooral lokale politici zaten ermee in hun maag. „Toen won het liberale argument voor neutraal onderwijs opeens aan kracht”, zegt Slaman. „Want die mensen zouden moeten integreren, en dat ging niet in een afgesloten wereld.”

De stichters van islamitische scholen die door gemeenten werden tegengewerkt, hebben – ook recent nog – vrijwel altijd gelijk gekregen bij de rechter, met een beroep op artikel 23. Maar door andere wetten in te voeren, zoals de nieuwe wet voor burgerschapsonderwijs, verwerft de overheid toch meer invloed op het onderwijs op islamitische scholen.

‘Afkeer van staatspedagogiek’

Je zou scholen kunnen zien als de enige overgebleven verzuilde organisaties in Nederland, zegt Slaman. Tweederde van de scholen is ‘bijzonder’. Maar veel stelt een levensbeschouwelijk predicaat meestal niet meer voor. „Er is nog één groot verschil: de wet- en regelgeving voor het bijzonder onderwijs heeft de vorm gekregen van een bekostigingsvoorwaarde. Het openbaar onderwijs valt direct onder de wetten en regels van de overheid.”

Toch lopen discussies over artikel 23 nog altijd hoog op. „Er is in Nederland altijd een soort natuurlijke afkeer geweest van staatspedagogiek. Alleen al het idee dat een ambtenaar beter zou weten dan jij hoe je je kind moet opvoeden. Dan kom je in een emotioneel gebied, waar mensen al snel heel erg boos worden.”