Foto Frank Ruiter

Interview

‘In de lach zit de bevrijding, als een scheet op een begrafenis’

Lunchinterview Maike Meijer (53), cabaretière, actrice en televisiemaker, schreef een fictief dagboek van een ouder wordende actrice. „Als ik in zo’n pashokje sta en ik zie m’n kop, m’n uitgroei en m’n onderkin, dan weet ik: dit is materiaal.”

Maike Meijer (53) wil een extra hete latte macchiato met havermelk, met een dubbel shot espresso. Serieus? We staan, in de regen, voor de Coffee Company aan de Amsterdamse Middenweg. De bankjes buiten zijn afgezet met rood-witte linten, binnen staan er helemaal geen stoelen meer. Een pad van pijlen en een soort tunnel van plexiglas leidt naar twee gemondkapte medewerkers achter de balie. We zouden koffie halen en dan wandelen in het park. Wil ze nou echt wat ze in haar boek Wen er maar aan een belachelijke bestelling noemt? „Ja, sorry”, zegt ze. Ze meent het.

Ze is de helft van Toren C, de satirische televisieserie die ze met Margôt Ros bedacht en schreef, waarin ze typetjes spelen in korte kantoorscènes; ongemakkelijk en absurd, soms grof maar altijd herkenbaar. Die toon zit ook in het dagboek dat ze ging bijhouden op advies van de huisarts, nu zo’n vier jaar geleden. „Ik zat tegen een burn-out aan en was, waarschijnlijk, in de overgang.” Ordenen, overzicht krijgen, grip krijgen op de gebeurtenissen, eventueel een schetsje erbij maken, zou haar helpen.

Wen er maar aan begon als haar eigen verhaal en een echt dagboek over haar leven. „Die scène dat ik bij de H&M in het pashokje sta? Zo was het echt.” Haar spiegelbeeld had vouwen onder de linker,- én rechterschouder, een bolle buik en grotten op de plek waar ogen horen. „Of ze wat van me kon aannemen, vroeg het winkelmeisje. Ja, zei ik: dat het voor geen meter staat.” Daar en toen werd het idee geboren om een Bridget Jones-achtig dagboek te schrijven over actrice M., een vrouw met zwembandtaille, pannenlapknieën en een droge vagina, een vrouw in de overgang met „emotionele schommelingen”. Onaantrekkelijk, niet sexy, bijna dood.

Inmiddels is het zo hard gaan regenen en waaien, dat wandelen een slecht plan lijkt. Ze weet raad, aan de overkant van de straat zit een boekhandel waar ze gisteren nog een stapel boeken heeft zitten signeren (er is al een tweede druk). Wij op een holletje erheen, zij naar binnen vragen om een schuilplaats. Ze wenkt. „We mogen in de kelder.” Eenmaal binnen, samen achter het bureau van een van de medewerkers, pelt ze haar dikke winterjas af. Tevoorschijn komt een vrouw in leren broek en groene blouse die er prachtig uitziet, en dat strookt totaal niet met hoe ze actrice M. in haar boek tekent; een Roald Dahl-achtig heksenfiguur met lubberende lellen vel en overbloezende vetrollen. Ze rolt achteruit op haar bureaustoel op wieltjes. „Dát is een kwestie van perceptie, hè. Zo voel ik me vanbinnen.”

‘Niet meer neukbaar’

De ouder wordende actrice M. zonder werk lijkt op haar, maar ze is het niet. „Als je over jezelf schrijft, ga je mensen sparen.” Nee, niet zichzelf, dat al helemaal niet, maar wel haar dierbaren. „Door een personage te bedenken, had ik ineens alle vrijheid. Ik kon véél verder gaan.” En ze gáát best ver. Als ze actrice M. tekent met schaamlippen tot aan de grond, of met tandvlees dat zich zo ver terugtrekt dat ze „een riem kan gebruiken om te flossen”. Als ze haar beschrijft als echtgenote met een etiket op haar voorhoofd waarop ‘Niet meer neukbaar’ staat. Als actrice die zelfs wordt afgewezen voor de rol van dode vrouw. Of als moeder die door haar zoon wordt weggeduwd als lastige bejaarde.

Lees ook: ‘De overgang is de weg naar de dood’

Ja, het is om (hardop) te lachen, maar toch: het wekt soms een beetje wrevel. Want waarom is ze zo hard, zo meedogenloos over zichzelf en daarmee over de oudere vrouw? „Schoffeer ik mensen?”, vraagt ze meteen. Nee, nee, dat is het niet. Wat ik bedoel is: hoe handig is het als oudere vrouwen zelf ook al gaan zeggen dat ze uitgerangeerd, onappetijtelijk en afgeschreven zijn, ook al is het voor de grap? Zo wórdt er toch vaak gekeken naar vrouwen van pakweg boven de 40, en waarom doet zij daar dan nog een schepje bovenop?

„Aha”, zegt ze en rolt dichterbij. „Als ik in zo’n pashokje onder een tl-lamp sta, en ik zie m’n kop, m’n uitgroei en m’n onderkin, dan weet ik: dit is materiaal. Wat daar gebeurt, wat ik daar voel, kan ik verwerken in een scène waarin anderen zich herkennen, het wordt een spiegel.” Ze tikt met haar vinger op haar borst: „Als ik het grappig vind, dan wordt het iets van mij. Ik leg het in mijn eigen la, ik hou de humor in eigen hand. Daar put ik troost uit – in de lach zit de bevrijding, als een scheet op een begrafenis. Het maakt alles dragelijk. Maar tegelijkertijd laat je ermee zien: ik sta erboven. Wat een ander vindt, deert me niet. Ik grijp het stuur.”

Dus je maakt de grap vóór een ander hem kan maken? „De hardste, grofste grap heb je zelf al gemaakt. Over je eigen groep, je eigen club kun je veel harder zijn dan een ander.” Dat is wat ze ook in Toren C deden, zegt ze. „De grap over onszelf ván onszelf maken. We maakten grappen over vrouwen die geen man, geen mens ooit zou durven maken.” Haar voorbeelden: Britse en Amerikaanse comedians. Jennifer Saunders, Amy Schumer, Lena Dunham. „Je moet alleen wel zorgen dat je niet de verkeerde vrouwen gaat zitten uitlachen. Het is mijn heilige overtuiging dat je de zwaksten er het sterkst uit moet laten komen.”

Lees ook: ‘Beste grappen gaan over seks en schaamte’

Trouwens, de man van zekere leeftijd typeert ze ook ongenadig. Op al z’n shirts vetvlekken ter hoogte van z’n buik. Playlists van de kinderen kopiëren en doen alsof hij die muziek zelf heeft ontdekt. Vriendelijkheid van de serveerster verwarren met flirten. „Leuke mannen kunnen ook om zichzelf lachen.” De grap zit, zegt zij, in het kleine, in het ongemak dat iedereen herkent. Nog geen uur geleden „hing ze af” bij een Zoom-videovergadering. „Altijd is er op het einde zo’n pijnlijk momentje voordat iedereen elkaar wegdrukt.” Ze zwaait met een slap handje. „Nou dag hè, dáág.”

Stempelkaart voor knuffels

Het herkenbare, het kwetsbare beschrijft ze ook in de omgang tussen actrice M. en haar puberzoon. Zoon begint te stoeien, zij wil hem eigenlijk knuffelen, maar houdt zich in en mept hem terug. „Met stoeien kom je het dichtst bij jongens van deze leeftijd.” Zelf heeft ze (met echtgenoot Marc) twee zoons, van 20 en 15, alleen de jongste woont nog thuis. „Thuis heb ik een stempelkaart”, zegt ze. Gekregen van de jongste voor haar verjaardag eind april. „Tien vakjes voor tien knuffels van hem. Ik heb er tot aan mijn volgende verjaardag nog drie tegoed.”

Maak je het leven door er zo de loep op te leggen niet juist extra ongemakkelijk? Er valt ook wat voor te zeggen om wat lelijk of stom is te negeren, er zijn genoeg vrouwen die liever hun tong afbijten dan te praten over opvliegers, overtollige haargroei of rimpels. „Ik ken ze”, zegt ze. „Zeker als er mannen in de buurt zijn, is dat een ding.” Zij is daar voorbij, zegt ze, en ver ook. „Ken je die scène uit Toren C waarin ik een sigaret rook met mijn buik?” Ze grijpt wat er boven haar broekriem zit stevig vast. „Met mijn blote buik op tv vond ik erger, intiemer dan met m’n blote doos in beeld.”

‘De vrouwenbuik is een kwetsbaar gebied’

Ze had de scène zelf geschreven, dus ze moest. De vrouwenbuik is een kwetsbaar gebied, zegt ze. „De huid zit losser, zeker als je kinderen gebaard hebt, er zit meer vet dan vroeger. Bovenarmen vind ik ook lastig, maar m’n buik is erger.” Achteraf vindt ze het een behoorlijk feministische daad. „Van wat het allerkwetsbaarst is een grap maken.”

Uiterlijk is belangrijk, zeker voor een actrice. „Er zijn weinig vrouwenrollen, en hoe ouder je wordt, hoe dunner de spoeling. Omarollen gaan naar steeds jongere vrouwen.” Ze doet een imitatie van een gladgetrokken vrouw met eendenmond. Zelf heeft ze ook botox gedaan. „Je ziet er even iets minder chagrijnig uit.” Alles eraan is voer voor haar, van de wachtruimte in zo’n „white en shiny” kliniek met te dure koffie tot de arts die haar even alleen laat in de behandelkamer, waardoor ze op zijn computerscherm kan zien dat hij net op Marktplaats heeft zitten zoeken naar een boot.

Schrijver Hugo Borst noemt haar op de cover van haar boek „net een vent”, en dat bedoelt hij als compliment. „Misschien hebben vrouwen nog wel meer dan mannen het vermogen naar zichzelf te kijken, te bespiegelen en om zichzelf te lachen.” Niet alles valt weg te lachen, problemen los je er niet mee op, je roeit er niks mee uit. „Maar humor geeft lucht. Opluchting, bevrijding. Lachen, ademhalen en weer door.”