Opinie

De intelligentie van domme dingen

Essay Voorwerpen worden steeds ‘smarter’. Maar het ambachtelijke ‘domme’ ding is sinds de coronacrisis bezig aan een comeback, ziet Christiaan Weijts.

Foto’s Getty Images

Ik had een rare gewaarwording en als het goed is heeft u die over twee alinea’s ook. Het overkwam me tijdens het lezen van Transparent Things (1972), een novelle van Vladimir Nabokov, waarin de verteller kan ‘wegzinken’ in de geschiedenis van voorwerpen waar hij zijn aandacht op richt. Een potlood? Meteen flitsen de eerdere gebruikers hem voor de geest, belandt hij in de fabriek waar ze het grafietstaafje door het hout persten, ziet hij de oorspronkelijke dennenboom geveld worden en in planken verdeeld door een jankende kettingzaag – alles in een oogwenk.

Aanstekelijk gedachtenexperiment. Onvermijdelijk ging ik mijn eigen omgeving ook bezien met die superogen. Maar van wegzinken was geen sprake. Het zitvlak van mijn bureaustoel – het is een soort textiel, maar waar de vezels vandaan komen? Geen idee. Er zit een vulsel in, maar van welk spul? Al slaat u mij dood. Verbaasd zie ik soms een sneeuwwit vogelveertje uit een versleten bankkussentje kruipen, dat ik weggooi zonder me zelfs maar af te vragen van welk dier het afkomstig kan zijn. Waar ik ook kijk stuit ik beschaamd op een muur van onwetendheid.

Of het bij u thuis anders is? Die kans is erg klein. Kijk maar eens rond. Uit welke landen komen de afzonderlijke componenten van uw keukentafel, uw vaatvasser? Hoeveel reiskilometers waren er nodig voor het televisietoestel? Wie naaiden uw vitrage? Neem er even de tijd voor, ik heb geen haast.

Waarschijnlijk kwam ook uw verbeelding bij deze rondgang niet veel verder dan een vage notie van industrieloodsen en containerschepen. De vervreemding van de natuur waar wij westerlingen zo berucht om zijn, begint al thuis. Tegenover onze meest nabije leefomgeving gedragen we ons onverschillig en onthecht. Op een juridisch niveau zijn het nog wel onze spullen, maar de omgang ermee heeft iets afzijdigs, zoals we in een vakantiehuisje elke gedachte aan vorige gebruikers van het servies onderdrukken.

Een huis met een eigen intimiteit

Aan het begin van de tweede coronagolf liep ik door de stad die op dat moment onze grootste brandhaard was, Bergen op Zoom. Onverwacht passeerde ik een huis aan de Auvergnestraat waar ik als kind vaak kwam. Daar woonden mijn oudoom, oom Louis, met zijn zus Louise (‘tante Wies’), die hun hele leven ongetrouwd bleven en samen dit ouderlijk huis bewoonden. Best vreemd als je er bij stilstaat, maar ik wil nu vooral stilstaan bij dat materiële huis met sierlijsten en gevelornamenten, gebouwd in 1895.

Binnen bezat het een heel eigen intimiteit, door alle tapijten, houten meubels, krakende vloeren en vooral ook de aanwezigheid van voorwerpen die toen, begin jaren 80, feitelijk al uitgestorven waren. Tinnen kannen, briefopeners, kaarsendovers, een barometer, de zwarte koude telefoon in de hal, een klein arsenaal aan gietijzeren gereedschap dat met de open haard te maken had, een houten koffiemolen met schuiflaatje, een blaasbalg; zelfs een spinnewiel poseerde, zij het voor de sier, in een hoek. Achter deze houten deur school altijd een wereld van tikkende klokken, van opwindbare, uitschuifbare, scharnierende en als een harmonica opvouwbare dingen van bakeliet, koper en leer.

Ik gluurde naar binnen. Strakke laminaatvloer. Kale muren, hagelwit. De en-suite-deuren van de ‘tussenkamer’ waren verdwenen. Sterker nog, de hele notie van een ‘tussenkamer’ was verdwenen. Ook de muur van de smalle, eindeloze hal, zo geschikt als racebaan voor autootjes, was opengebroken. Dit was een foto uit de Ikea-catalogus.

Ik moet nog vermelden dat oom Louis kunstenaar was. Alle muren hingen vol met zijn olieverfschilderijen. Er was een atelier op de eerste verdieping, met nog meer mysterieuze voorwerpen en geuren. En omdat hij ook carnavalswagens ontwierp en façades en decors voor circussen was het hele huis feitelijk één gigantische Wunderkammer.

Lees ook: Maken, maken, niet kopen – je hoeft echt niet alles weg te gooien

Zoals de biodiversiteit afneemt, zo is ook het repertoire aan gebruiksvoorwerpen aan het slinken. En we zijn er niet werkelijk meer mee verbonden. De vader van Wies en Louis – mijn overgrootvader dus – verdiende de kost als meubelmaker. Veel van wat zij dagelijks hanteerden was door zijn timmermanshanden gemaakt. De materiële wereld was ‘transparant’ en de bewoners konden het huis ‘lezen’ zoals Nabokovs verteller. Elk voorwerp had een geschiedenis en een herkomst die in principe kenbaar waren.

Zou je verder afdalen langs de generaties, dan kwam je terecht in kleine gemeenschappen van veehouders en ambachtslieden waarin die verbondenheid met de omgeving nog hechter was. Elk gebruiksvoorwerp was óf zelf gemaakt, óf door een naaste bekende. Je kon ze herleiden tot specifieke dierenhuiden, stenen en boomsoorten.

Er is een verschuiving in onze attitude, van ‘careless’ naar ‘caring’

Ambachtelijke objecten bevatten ‘materiële intelligentie’, zoals Glenn Adamson, voormalig directeur van het New Yorkse Museum of Arts en Design, dit noemt. Adamson publiceerde meerdere boeken over ambacht en in zijn laatste,Fewer, Better Things(2019) draait het om de intelligentie die onze voorwerpen verworven hebben in hun lange evolutie door de handen van meerdere generaties heen, een eindeloos proces van trial-and-error.

Het is een ander soort intelligentie dan die van de groeiende batterij aan ‘smart’-spullen in huis, die niet zonder software-updates en wifi-verbindingen kunnen. Materiële intelligentie zit zowel ‘in’ het voorwerp als in de makers en gebruikers, die zoals Adamson schrijft, een „diep begrip van de materiële omgeving hebben, en de vaardigheid om het nieuwe vormen te geven”. Adamsons boek gaat vooral over de teloorgang van die tactiele omgang met de wereld.

Zonder het zo precies te kunnen formuleren, geloof ik dat dit het besef was dat mij overviel, daar op de stoep van de Auvergnestraat. Het ‘object’ dat nu het meest in het oog sprong was een gigantisch beeldscherm met daarop de film Cars 2. Aan een tafel in de voormalige tussenkamer ontwaarde ik een ouder, beschenen door blauwig laptoplicht. We bevonden ons in the midst of a pandemic, waardoor iedereen nog sterker vergroeid was in de nieuwe menselijke houding: achter toetsenbord en beeldscherm. Werken, ontspannen, films kijken, anderen ontmoeten, spelen en zelfs seks: we doen het allemaal in die ene basispositie.

De computer hanteert pictogrammen die mijn kinderen nog wel herkennen – prullenbak, envelopje – maar wat is dat rare vierkantje voor ‘opslaan’? Wie komt er nog zo’n gele ‘archiefmap’ tegen in werkelijkheid? Een zandloper? En ik ben vast niet de enige met dit dilemma: ik heb een kast vol cd’s maar geen apparaat meer om ze in af te spelen. Weggooien dan maar? Sommige van die nutteloze schijfjes kreeg ik cadeau, voor andere heb ik gespaard, of gevochten in een ‘cd-van-jou-cd-van-mij’-gesprek. Het zijn alleen sentimentele redenen die de volgende stap in de dematerialisatie nog uitstellen.

Dematerialiseren zullen we

Want dematerialiseren zullen we. Er zullen generaties komen zonder boekenkasten, zonder fotoalbums, zonder radio’s, zonder centrale tv-toestellen. Ongetwijfeld zelfs zonder balpennen, die we nu alleen nog gebruiken voor boodschappenbriefjes. Smartphone en smarthome slokken de materie op in zo’n rap tempo, dat je je afvraagt wanneer we de staat bereiken van de onstoffelijkheid.

Hoe slimmer de dingen worden, hoe meer ik het idee heb dat ik ze maar in bruikleen heb. De smartphone, tablet, spelcomputer en laptop: ze ontvangen updates op tijden die elders zijn vastgesteld. Als er iets fysieks aan faalt, is er geen greintje kans dat ik het zelf kan repareren. Het is alsof ik ze lease van Samsung, Apple en Nintendo, wat die afzijdige omgang ermee alleen maar vergroot.

Nog sterker zal dat zijn als we over een tijdje 3D-printers hebben die thuis om het even welk object voor ons vervaardigen. Uit grondstoffen maken we voorwerpen die we na gebruik weer terugsmelten tot ruwe basis voor weer andere vormen. De materiële wereld gedraagt zich dan op dezelfde vluchtige manier als de wisselende vormen op onze beeldschermen.

Lees ook: ‘Ik stond altijd aan. In plaats van dat mijn apparaten mij dienden, diende ik hen’

Dat komt in de buurt van het visioen dat de Franse denker Roland Barthes had toen hij in de jaren 70 verbijsterd naar een demonstratie van een machine keek die plastic bakjes fabriceerde uit chemische kristallen. „Aan het plastic blijft altijd iets van die verwondering hangen: het is minder voorwerp dan spoor van beweging”, schreef hij in zijn Mythologieën.

We krijgen dus fluïde voorwerpen, en wat er nog aan concreet spul nodig blijft, zal de status van een ‘device’ hebben. Nu al slinkt het aantal objecten zónder camera erin, schermpje erop, luidspreker erin, wifi-verbinding. Achter de coulissen van de geschiedenis liggen ze al klaar, de wc’s die je urine analyseren, tandenborstels die je gebit controleren, matrassen die je slaappatroon corrigeren – in één groot netwerk verbonden met het kunstmatige collectieve onderbewustzijn genaamd ‘cloud’.

Wat is dan de status van de voorwerpen die ‘dom’ zijn, die niet wekelijks een software-update ontvangen, niet zijn te bedienen met bluetooth?

Glenn Adamson hoopt op een toekomst waarin we minder dingen hebben, die dan wel waardevoller zijn, lokaal gefabriceerd, en behandeld met de zorgzaamheid die je nu vooral aantreft in kerken, musea, Japanse theeceremonies, maar ook – een sterke observatie – in filmsets. Buiten de set is het een rommeltje, maar daarbinnen is elk voorwerp met minutieuze zorg en aandacht gerangschikt.

„De echte test voor de waarde van een voorwerp”, schrijft hij, „ligt niet in de efficiëntie, nieuwheid of zelfs de schoonheid ervan, maar in de vraag of het ons een idee geeft van onze gedeelde menselijkheid.” Immers: „Elk voorwerp vertegenwoordigt een potentiële sociale verbinding.”

Utopisch wensdenken

Af en toe helt Adamsons verhaal over naar utopisch wensdenken. Moeten we soms weer in berenhuiden gaan lopen en zelf pitrieten stoelen gaan vlechten? Realistischer is om manieren te zoeken waarop die sociale, ambachtelijke dimensie kan samengaan met eigentijdse technologie, hoe materiële intelligentie een vaste waarde kan zijn in toekomstige samenlevingen.

Aanzetten daartoe zijn er beslist, en de pandemie heeft die versneld. Tijdens de eerste coronagolf was het alsof bewoners met hun ogen knipperden en ineens voor het eerst hun eigen leefomgeving bekeken. Klussers bestormden de bouwmarkten, op de stoep ontstond de rage om de namen van het opkomende onkruid op de tegels te krijten. De omzet van producten rechtstreeks van de boer piekte.

Net als die van naaimachines en stoffen. De verspreiding van pdf’s met patronen van mondkapjes en instructievideo’s is een prachtig voorbeeld van hoe aloude materiële intelligentie kan samensmelten met eigentijdse technologie en iets oplevert dat onmiskenbaar zo’n gevoel van ‘gedeelde menselijkheid’ geeft.

Het was een korte impuls, die nog lang geen radicale omslag in hoeft te luiden, maar het toonde wel hoe het denken hierover kan kantelen. Ook bij beroepsmakers, kunstenaars en designers was aandacht voor lokaal materiaalgebruik al gaande, voordat de coronacrisis die in een stroomversnelling bracht.

Op de Dutch Design Week eind oktober – noodgedwongen omgebouwd tot online evenement – exposeerde een internationale groep ontwerpers werk dat tijdens de eerste lockdown ontstond, in een zes-weekse virtuele conferentie. Deelnemers van deze Dutch Invertuals Academy maakten nieuwe objecten van ruw materiaal uit hun eigen omgeving: gekapte eucalyptusbomen in Zuid-Afrika, afval uit Edinburgh, touw gevlochten uit afgeknipte strengen haar van vrouwen uit Mexico. True Matter, heet de expositie. Volgens de makers is het een uiting van de mondiale verschuiving die bezig is in onze attitude, van ‘careless’ naar ‘caring’.

Lees ook: Design om over na te denken: van coronaquilt tot persoonlijke urn

Een zelfgemaakt mes

Terwijl ik dit schrijf, zijn hier in huis de Halloween-voorbereidingen in volle gang. De oudste wil zo’n mes dat door zijn hoofd steekt, net als een jongen bij Heel Holland Bakt Kids dat had. In eerdere jaren gingen we dan naar de SoLow XXL om de collectie Chinees plastic prul uit te breiden. Nu waren de ethische en praktische bezwaren zo groot dat we zeiden: maak het zelf maar.

En daar staat hij. Ik sta versteld. Het geronnen bloed op het glinsterende staal van glimmend karton. Het lemmet boven zijn oor sierlijk gekromd. Het voorwerp drukt precies uit wat ik hier beoog. Een plastic prul zou al gauw verdwenen zijn, maar dit mes, met lokale materialen gemaakt, zal met zorg opgeborgen worden en elk jaar opnieuw tevoorschijn worden gehaald, en het steeds weer iets gegroeide hoofd doorklieven.

Het is een cultureel artefact waarvan we ons telkens de totstandkoming eventjes zullen herinneren: de strooptocht door het huis naar geschikte materialen, de ruzie met zijn zusje over de afgedankte diadeem waar de meshelften aan vast zitten, en waar zich vooral allerlei betekenissen aan hebben vastgehecht: de trots van dit gemaakt te hebben, de vreugde van het spelenderwijs uitvinden. Het domme ding bevat alle wijsheid van de wereld.