Recensie

Recensie Boeken

Ondanks een spectaculaire plot komt het verhaal maar niet tot leven

Christiaan Weijts In Weijts zevende roman, sciencefiction en historische roman ineen, is virtual reality de norm. Maar in het virtuele ontbreekt bezieling.

Illustratie: Paul van der Steen

De legendarische Japi had maar ‘één wensch: te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote vijanden.’ Was hij maar een waterplas, ‘die golft maar en weerspiegelt, is aldoor anders en blijft toch gelijk’, schreef Nescio over de wonderlijke kerel die de flegmatieke hoofdpersoon is van De uitvreter. Met de beginzin van zijn zevende roman Furore (‘Zijn reis naar Schoorl is altijd onopgehelderd gebleven’) verwijst Christiaan Weijts (1976) naar de slotzin van Nescio’s verhaal. Al gaat het in Weijts’ versie dus niet over uitvreter Japi die naar Friesland reisde, maar over Pablo Picasso in het Noord-Hollandse kustplaatsje. De connectie ligt bij Tom Schilperoort, die naar verluidt de aanstichter geweest zou zijn van Picasso’s Hollandse bezoek in de zomer van 1905, én die volgens sommige neerlandici model stond voor Nescio’s Japi.

Die Tom fascineert Weijts – of, preciezer: hij fascineert Weijts’ hoofdpersoon Kris, een kunsthistoricus, die in het jaar 2054 op de journalist en losbol Schilperoort stuit wanneer hij onderzoek doet naar Picasso’s reisje. Kris leeft in een tijd waarin de cultuurgeschiedenis alleen kan voortbestaan als die wordt belééfd, niet alleen zichtbaar maar ook voelbaar wordt gemaakt, en met een vriend en zakenpartner ontwerpt Kris daarom een virtual reality-programma voor een aanstaand Picasso-jaar. ‘Sinds auto’s zelf reden waren het attractieparkgondels, met de ruit als het augmented reality-scherm, dat een laag over de buitenwereld heen legde die van elke stad een Droomvlucht maakte’, zoals hij uitlegt. De toerist treedt zelf in Picasso’s voetsporen!

Furore combineert een historische roman met sciencefiction. Maar wie van Weijts een nieuwe hedendaagse, maatschappelijk georiënteerde roman verwachtte, komt ook nauwelijks bedrogen uit: de toekomstroman Furore biedt een projectie van het heden zoals Weijts dat beziet, het historische verhaal spiegelt dat evenzeer. Hij koos voor twee scharnierpunten in de geschiedenis, kookpunten van het vooruitgangsgevoel, van technologie, automatisering en snelheid, beweging, opwinding. Zo kon hij zijn ideeën over het heden uitvergroot en contrasterend tot hun recht laten komen.

Escapisme

Migrantenstromen die hardhandig zijn gedwarsboomd, klimaatproblemen die het aanzien van de wereld hebben veranderd, extremistische politiek die in die chaos een voedingsbodem heeft gevonden – gelukkig biedt de technologie steeds meer gelegenheid voor escapisme. ‘Als we de wereld niet konden verbeteren, moesten we onze werkelijkheid gaan verbeteren’, zo heeft de wereld geleerd ten tijde van Kris. Die beseft dat virtuele werkelijkheden niet zaligmakend zijn: ‘wat er ontbrak was een werkelijke levenskracht, een werkelijk betrokken-zijn’.

In de duistere nieuwe roman van Emy Koopman verandert de samenleving in een ‘pestkopmaatschappij’ waarin geen plek is voor zwakkelingen. Wat als je dan buiten de boot valt? Lees ook: In de pestkopmaatschappij is geen plek voor zwakkelingen

Boeiende kwestie, interessante materie. Er zit toch nog licht tussen wat gefingeerd wordt en het gevoel dat dat teweegbrengt, iets als ‘bezieling’ – daar gaat Furore over, en daar is de auteur op zijn sterkst. Christiaan Weijts schrijft primair ideeënromans, hij wil iets vertéllen, over de wereld en de tijd, hij wil zijn personages laten staan voor iets, door hen en hun verhalen zo te presenteren, zo in het licht te zetten dat ‘vooral de allegorische en universele facetten de neiging hebben te gaan glinsteren’. Die bombastische woorden van Weijts’ personage gaan evengoed op voor de aanpak van de schrijver zelf. Die parallel getuigt van inzicht in de haken en ogen die er aan zijn project zitten.

Want ideeën moeten bezield worden, willen ze werken in een roman – in een roman wordt leven geblazen door de personages die hem bevolken. Maar hoe? Het is een vraag voor virtual reality-vormgevers én voor romanschrijvers: hoe breng je een verhaal tot leven? ‘Zing. Zing dan toch’, is Kris’ steeds gefrustreerder en moedelozer wordende mantra in het verhaal van Tom Schilperoort. Hij speurt zijn gehele leven na, probeert uit het historische materiaal een mens te doen oprijzen, maar die bezieling, dat zingen – tja. Aan alles voel je dat hij (en mutatis mutandis Weijts) verwoede pogingen doet: aan de kunstgreep om Schilperoorts verhaal in de je-vorm te vertellen bijvoorbeeld. Die vorm suggereert nabijheid, inleving, direct aanspreken, maar het werkt ook larmoyante formuleringen in de hand. ‘Het steekt je, meer dan je wilt toegeven’, zegt Kris Tom aan, en dan wordt het weeïg, dweperig. Doldriest speurend naar emotie fantaseert hij de vroege dood van Toms broertje, wat ook niet de sterkste passages oplevert. Bij een lange sequentie waar Picasso en Tom wedijveren om de hand van dezelfde vrouw blijkt het duidelijkst dat gevoel niet Weijts’ kracht is: ‘Dit is pijn. Alles wat je eerder voor verdriet hield waren leugens’ – nee, in zo’n pulpcliché is de bezieling ver te zoeken.

Pientere gymnasiast

En dat emotionele onvermogen is allemaal de bedoeling, is de indruk die Weijts wekt als Kris zich weer eens zelfbewust afvraagt: ‘Wat hoopte ik te bereiken met die reconstructie van jouw leven?’ En voor wie? ‘Ik ben niet zo met die anderen bezig.’ Dat dacht de lezer ook al, en dat Kris hem ‘de gedroomde getuige’ van zijn tijd vindt, verhindert daar niet veel aan. Eerder kun je je vinden in de kritiek die in Furore al vervat ligt: het historische verhaal, hoewel van veel context en decor voorzien, naarstig uitgeplozen en uitgebreid weergegeven, komt maar niet tot leven.

Zo’n personage als Kris, die het allemaal in de smiezen denkt te hebben en daarover graag oreert als een pientere gymnasiast, kan een aantrekkelijk romanpersonage zijn, wat bij uitstek het geval was in Weijts’ eerdere romans Art. 285b en Via Cappello 23, waarin hij zijn antihelden smakelijk de afgrond in duwde. Dat gebeurt in Furore minder overtuigend: de vraag is wat Kris eigenlijk wíl. Waar streeft hij naar? Versterven, onaandoenlijk worden voor honger en kou, zoals de uitvreter van Nescio? Of toch, in een parallel met Tom Schilperoort, zich doen gelden, als schepper van iets of iemand? Daar streeft hij dan wel halfhartig naar.

In 2050 zijn mensen fit, positief ingesteld, emotiearm en willoos. En compleet vergroeid met het algoritme. Lees ook: ‘Die kut-yogi’s willen allemaal leeg zijn’

Dat kan ook liggen aan de aanpak van Weijts, die heel veel uit de kast trok, maar niet helemaal de juiste dingen. Het gonst van de verwijzingen, naar de wereld van 2020, naar Grand Hotel Europa, naar Houellebecq, Weijts’ eigen debuut, de film Blade Runner, meende ik – maar dat levert eerder een vrolijk gezelschapsspel op dan literaire diepte. Weijts heeft een spectaculaire plot opgetuigd waarbij hij niet op een dubbele bodem of complicatie meer of minder keek – alsof hij in de leer is geweest bij filmregisseur Christopher Nolan, de ingewikkeldheidsfetisjist. Dat mag een aanbeveling zijn voor wie houdt van verhalen waarin religieuze spanningen én ontwrichtende aanslagen én een enigszins banaal fietsongeluk én futuristische stamceltechnologie én een tot mislukken gedoemde romance over elkaar heen buitelen. Voor wie de suspension of disbelief eindig is en ernaar snakt iets mee te voelen met een niet-bordkartonnen romanpersonage, is het een beproeving. Die raakt verstrikt in vergezochte verzinsels en een draak van een ontknoping.

Wat Weijts aansnijdt over de toekomst van Nederland, de technologie en de wereld is opzwepend, maar de verbeelding waarmee hij dat alles in een roman heeft gegoten, is in Furore op hol geslagen.