Sint-Maarten

Marcel van Roosmalen

Rond vier uur ’s middags was het verpakte snoep al uitverkocht bij de Vomar. Corona had het dorp veel afgenomen, maar van deze traditie bleef het met de tengels af. Ik kwam onze oude werkster tegen, de gesprekken met haar zijn altijd moeizaam, maar Sint-Maarten vormde een mooi aanknopingspunt.

„Dat vieren we gewoon”, zei ze. „Ik zet een teil met koek op een stoel en ga zelf achter de voordeur zitten genieten.”

In haar karretje lagen vier pakken spritsen.

Thuis was de stemming uitgelaten, Lucie (5) en Leah van Roosmalen (3) kregen van opwinding geen hap door de keel. Ik bracht nog in dat minister-president Rutte had gezegd dat het beter was om het gedoe met die lampions een jaartje over te slaan en dat er buiten dus misschien wel niets te doen was, maar dat kwam me op de kwalificatie ‘stomste papa ooit’ te staan.

In het donker naar buiten.

Aan de overkant van de straat hadden ze huizen en tuinen versierd met lichtjes, het snoep stond uitnodigend in potten en pannen op een keukenstoel of huishoudtrapje. De confrontatie met zingende kinderen lieten vooral de ouderen zich niet ontnemen. Lucie en Leah van Roosmalen ontpopten zich al snel tot roofdieren. Ze poseerden gewillig met hun zelfgemaakte lampions voor ruiten, Leah zong niet eens, die wachtte op een verlossend teken om snoep te mogen pakken.

Dan hollend naar het volgende huis.

Wij op gepaste afstand erachteraan.

Een vrouw had het snoep aan een waslijn gehangen, ze gaf vanuit een tuinstoel op afstand duidelijke instructies.

„Ik hoor niets, harder!”

Een bejaarde vrouw met mondkap had een koord rondom zichzelf gespannen, ze gebruikte een grijper om minireepjes Milky Way aan te reiken.

„Hoe gaat het met u?”, vroeg ik.

Antwoord: „Het sociale contact is overweldigend, nu.”

Het weer was zacht, er hing verbroedering in de lucht, iedereen deed zichtbaar ontzettend zijn best.

Lucie van Roosmalen trof een klasgenoot, die een boodschappentas vol snoep achter zich aan sleepte. De vader stond er met de handen in de zakken bij. Hij zei dat er veel meer mensen dan andere jaren meededen.

„Veel meer.”

Ik deed ook een duit in het zakje met: „Vorig jaar waaide het.”

„En regen”, zei de moeder. „Heel veel regen, dat weet ik nog.”

In de Tuinstraat herkenden ze me.

„Je mag er twee pakken”, zei een man, „als je tegen je vader zegt dat hij voortaan positief schrijft over Wormer.”

Daarna, schreeuwend naar mij: „Dit is de Tuinstraat!”

Ik onthield: een warme avond, vooral in de Tuinstraat.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.