Reportage

Op deze school zitten leerlingen met een IQ vanaf 20 tot meer dan 100

Serie passend onderwijs Passend onderwijs had de groei in het speciaal onderwijs moeten tegengaan. Dat is niet gelukt. Niet alle leerlingen kunnen naar het regulier onderwijs, zien ze bij Hub Noord-Brabant in Rosmalen.

Leerlingen van HUB Noord-Brabant in Rosmalen: van gehandicapte kinderen tot hoogbegaafden en leerlingen met autisme of ADHD.
Leerlingen van HUB Noord-Brabant in Rosmalen: van gehandicapte kinderen tot hoogbegaafden en leerlingen met autisme of ADHD. Foto’s Merlin Daleman

Wie door het schoolgebouw van Hub Noord-Brabant in Rosmalen loopt, ziet bijna geen klas die op een andere klas lijkt. In een bovenbouwgroep luisteren achttien jongens klassikaal naar een les over drones. Bij een van hen hangt een touw aan de achterkant van zijn tafel. Daar kunnen zijn benen in, ter ontspanning. In een klas verderop zijn zes kinderen voor zichzelf bezig. Hier geen rijen tafeltjes en stoeltjes, maar een grote tafel in het midden, en een uitgang naar een eigen speelpleintje.

Bij Hub Noord-Brabant (vijf scholen voor speciaal voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs) komen leerlingen met een IQ vanaf twintig tot meer dan honderd. „De meeste mensen hebben geen idee van wat wij doen”, zegt bestuurder Rion Pennings. „Het beeld is dat we er zijn voor gehandicapte kinderen: blinden, doven, kinderen met het syndroom van Down. Maar wij hebben ook leerlingen die hoogbegaafd zijn, leerlingen met sociaal-emotionele problemen, met autisme, met ADHD.”

Leerlingaantal

Passend onderwijs had de groei van het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs moeten tegengaan. Als meer leerlingen met een beperking naar een reguliere school gaan, was de gedachte van de Wet passend onderwijs uit 2014, slinkt het duurdere speciaal onderwijs vanzelf. De eerste jaren na de invoering gebeurde dat inderdaad, daarna gingen er juist méér leerlingen heen. Per saldo heeft passend onderwijs weinig voor het leerlingaantal gedaan. Zo’n 4,5 procent van de leerlingen gaat naar de basisschoolvariant van het speciaal onderwijs; 3,8 procent naar het voortgezet speciaal onderwijs.

Lees ook: Dankzij juf Daisy kan Nuhaila nu al beter lezen

Aan de dagelijkse praktijk op het speciaal onderwijs heeft passend onderwijs ook weinig veranderd, blijkt uit de eindevaluatie over de sector. „Passend onderwijs heeft vooral geresulteerd in veranderingen op bestuurlijk niveau.” Als leerlingen eenmaal op een school voor speciaal onderwijs zitten, is de kans klein dat ze weer op een reguliere school terechtkomen – terwijl dit het idee van passend onderwijs was. De ‘beleidsverwachting’ van zo’n tijdelijke plaatsing op het speciaal onderwijs was „niet reëel”, aldus de evaluatie.

De tegenstelling tussen ideaal en de praktijk: bestuurder Pennings en schooldirecteur Manja Ockhuizen hebben daar dagelijks mee te maken. Ook zij vinden het idee van passend onderwijs mooi: zo veel mogelijk leerlingen samen naar school. In andere landen kan dat ook: Nederland is uniek als het gaat om de omvang van het speciaal onderwijs, en het onderverdelen van kinderen in ‘clusters’ (van slechtziende kinderen tot kinderen met een psychische stoornis).

Vastgelopen

Maar is het idee van ‘inclusief onderwijs’, zoals beleidsmakers het noemen, wel realistisch? En wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld?

„Iedereen kijkt met zijn eigen bril naar passend onderwijs”, zegt Pennings. „En dat is zó divers. Een bestuurder van een reguliere school denkt na over hoe hij beter met hoogbegaafden kan omgaan. Terwijl wij nadenken over de vraag: van welke kinderen is het eigenlijk de bedoeling dat ze naar het regulier onderwijs kunnen? Want we zijn ervan overtuigd dat ze dat niet allemaal kunnen.”

Sommige kinderen, zegt Ockhuizen, komen pas op deze school nadat ze op een reguliere school zijn vastgelopen. „Ze zijn beschadigd. Als die kinderen hier twee jaar eerder waren gekomen, dan was de kans op terugkeer naar een reguliere school groter geweest.” Andere kinderen hadden met meer begeleiding misschien best naar het reguliere onderwijs gekund. En dat zou je ze ook gunnen, zegt ze.

Maar daar zijn vaak veel prikkels. De klassen zijn groot, de gebouwen klein. Scholen werken met ‘leerpleinen’ of een ‘rijke leeromgeving’ „Op de basisschool zitten ze hutjemutje, tien centimeter van elkaar”, zegt Ockhuizen. „Niet iedereen kan daarin mee. Kinderen vragen om regelmaat, duidelijkheid.” Dát zou weleens de reden kunnen zijn dat meer kinderen daar uitvallen, denkt ze.

Dat het binnen het reguliere onderwijs niet altijd goed gaat, weten Thomas (11), Robby (11), Xave (12) en (een andere) Thomas (11) ook. Ze zitten in groep 8 en kunnen gemiddeld of bovengemiddeld leren. „Op mijn vorige school leerde ik niet zo goed”, zegt de Thomas die hier in groep 7 kwam. „Ik had een hele grote klas, het was druk en lawaaiig. Ik kon me moeilijk concentreren. En ik werd ook vaak boos.”

‘Ik moest een beetje huilen’

Met autisme begrijp je sommige regels niet, legt hij uit. „Ik heb er een keer een spreekbeurt over gehouden. Toen luisterde iedereen wel heel goed.” Het was daar moeilijk voor hem om te spelen en vrienden te maken, vertelt hij. Toch was het „best wel een schrik” voor hem dat hij van school ging. „Ik moest een beetje huilen.”

Ook Robby, „niet echt een man van woorden”, vond het niet leuk om weg te gaan bij zijn vorige school. Hij had er veel vrienden. Maar leren en rekenen gingen moeilijk. „Hier krijg je meer aandacht. Er zijn meer juffen voor één klas.”

Xave en Thomas werden op de reguliere school gepest. Thomas heeft wel vijf scholen gehad. „Ik werd bij mijn keel gepakt”, vertelt hij. „Ik had niet veel vrienden. Hier wel. Ik kan best wel druk doen, dan ga ik rondspringen. Soms ga ik alleen zitten.” Xave zegt dat hij werd gepest omdat hij omging met iemand met grote oren. „En ik had juist kleine oren. Toen mijn vriend een ooroperatie kreeg, zeiden ze: dat doe je alleen maar omdat je bang bent om gepest te worden.”

Positief aan passend onderwijs is dat er meer contact is tussen speciaal en regulier onderwijs. „Ik zit elke week aan tafel met het regulier”, zegt Pennings. „Tien jaar terug zag ik ze nooit.” Ockhuizen: „Wij hebben nu veel meer contact. En dan gaat het echt over de kinderen: wat zou er mogelijk zijn voor Pietje? Hoe kunnen we zorgen dat hij terug kan naar het reguliere onderwijs? Of naar een reguliere middelbare school, in plaats van het voortgezet speciaal onderwijs?”

Er komen dus wel kinderen verder door passend onderwijs. Ockhuizen: „Je kunt ze op twee handen tellen, maar het is wel zo.”

„Maar wat ik écht niet snap”, zegt Pennings, „is dat steeds minder mensen stagelopen in het speciaal onderwijs. We willen toch passend onderwijs? Hier krijg je het vak gratis aangeboden.”

Lees ook: Het passend onderwijs is na zes jaar nog geen succesverhaal

Prachtige ideeën

De bureaucratie is groter geworden. Regionale samenwerkingsverbanden verdelen geld voor passend onderwijs naar eigen inzicht onder reguliere en speciale scholen. Er zijn grote verschillen, en scholen voor speciaal onderwijs hebben soms wel met tien samenwerkingsverbanden te maken. Pennings: „De ene regio zegt: binnen nu en vijf jaar bouwen wij het hele speciaal basisonderwijs af. Terwijl de andere regio zegt: we hebben die scholen keihard nodig.”

Ockhuizen verheft haar stem als de bureaucratie ter sprake komt. „Wij kijken naar de kinderen. Maar je wilt niet weten waar wij tegenaan lopen bij gemeenten. De enorme ingewikkeldheid van financieringsstromen.” Als een school iets wil regelen voor een leerling met onderwijs én zorg, is het afhankelijk van de gemeente waar hij woont of dat lukt, zegt Ockhuizen. „De ene gemeente is makkelijk, de andere moeilijk. Terwijl wij prachtige ideeën hebben.”

De combinatie van onderwijs en zorg is al jaren een probleem, omdat ze onder verschillende departementen vallen. Pennings: „Dan komen er oplossingen als ‘zorgarrangementen’, ‘onderwijszorgconsulenten’. Waarom geen minister van jeugd, die over beide potten centen gaat?”

Ockhuizen: „We hebben het systeem zo ingewikkeld gemaakt, dat niemand het meer snapt. Alleen al de regio-indeling van de zorg, dat is dan weer een andere dan die van de samenwerkingsverbanden en arbeidsmarktregio’s. Dan heb je ook nog jeugdzorg. Voor het speciaal onderwijs is dat een ramp.”

Neem de ‘thuiszitters’, zegt Pennings. Passend onderwijs had ervoor moeten zorgen dat geen enkel kind meer thuis zou zitten bij gebrek aan een geschikte plek. Maar hun aantal nam juist toe, in 2019 waren het er bijna 2.500. „Schrijnend, en waar ligt de oorzaak?” Ze somt op: die kan bij de school liggen, de gemeente, bij ouders, het samenwerkingsverband, de zorg, de wachtlijsten. Maar één ding is zeker: de oorzaak ligt níet bij het kind.”