Foto Merlijn Doomernik

Interview

Raoul de Jong: ‘Ik stam af van jaguars, van mensen die de hel op aarde moesten overleven’

Raoul de Jong In zijn nieuwe boek verkent schrijver Raoul de Jong Suriname, het land waar zijn vader is opgegroeid. „Ik stam af van jaguars, van mensen die de hel op aarde moesten overleven.”

Zo vlak voor Kerst is Paramaribo vol toeristen – althans dat was zo in 2015, ver voor corona. Surinaamse Nederlanders op familiebezoek, ouders die hun stagelopende dochter of zoon even willen zien, inclusief dat stageland, en al die mensen die steeds vaker horen dat ze niet weten wat ze missen als ze de Suriname-ervaring niet hebben ondergaan.

Met echtgenoot en vrienden zit ik bij ‘Zus en Zo’, een guesthouse en eettent in het centrum van de stad. We hebben een paar Surinaamse Amsterdammers gespot, maar ik ben verbaasd als ik ineens Raoul de Jong ontwaar.

Lang geleden hebben we elkaar gesproken op een boekpresentatie, hij nog piepjong en ik al ruim volwassen; de jongen met het haar dat ik vroeger zelf had; de jongen die geboren werd uit een blanke Nederlandse vrouw (hij zou nu ‘wit’ zeggen) en een Surinaamse vader. Die hij niet kende, en die hij ook niet leek te missen. Twintig jaar geleden was Suriname enkel het land dat hij moest noemen om zijn uiterlijk te verklaren. Daarmee waren de woorden wel op.

Ik loop naar hem toe, val midden in een discussie over haar. Raouls haar, dat wild alle kanten opstaat, en waarvan een paar Surinaamse kennissen hebben gezegd: òf invlechten tot ‘corn rows’, vlechten strak op het hoofd, òf helemaal uitkammen en dan naar de kapper. Ik tref Raoul in uitgekamde versie, hij is op weg naar de kapper, nog even wat moed indrinken. Ik zeg: „Niet doen. Dat haar is prachtig zoals het is.”

Waarna hij blijft zitten en wij kunnen bijpraten.

De Jong is al twee maanden in Suriname. Pas rond zijn 27ste heeft hij zijn Surinaamse vader leren kennen, die in Nederland woont, en die zou eigenlijk met hem mee naar het land van herkomst. Dat ging op het laatste moment niet door, en toen dacht Raoul: „Ik heb mijn hele leven al gewacht op mijn vader, dan ga ik wel alleen. Ik wil begrijpen wat ik van hem erfde, en wat daar mooi aan is.” In zijn hoofd de familieverhalen van zijn vader waarin een betovergrootvader figureert, een soort medicijnman, die het vermogen had zichzelf te transformeren in een jaguar. Kijk, daar is hij nu familie van. Wat een glamour in de stamlijn.

De opzienbarend blauwe ogen van Raoul glinsteren, begeesterd vertelt hij over een boek dat er moet komen, vol wetenwaardigheden over „mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden”. Ik zie het meteen: hij heeft de Sranan-blues te pakken.

En vijf jaar later is het er: Jaguarman. De opdracht: „Voor onze vaders, hun kinderen, de kinderen van hun kinderen en onze heilige geesten.”

Het Monster zonder hoofd

De Jong is niet alleen naar Suriname gegaan, hij heeft vijf jaar onderzoek gedaan in bibliotheken en archieven, naar Surinaamse schrijvers en verzetsstrijders. Hij is ook in de winticultuur gedoken, de Afro-Surinaamse religie die de Afrikanen in slavernij meesmokkelden naar het Caribische land. Winti: bovennatuurlijke wezens, geesten. Raouls betovergrootvader, de Jaguarman, moet ervan geweten hebben. En zelf heeft Raoul, op aanraden van een wintipriesteres een ontledigingsritueel uitgevoerd, een week lang, om zijn eigen winti’s te ontdekken en te versterken. Een week geen seks, geen zout, geen vlees en geen sigaretten, witte kleren aan en iedere dag een ‘winti wasi’ (reinigend kruidenbad). Dat alles gewoon in Rotterdam, in zijn flat op de tiende verdieping, met uitzicht op de havens. Want wintipriesteres Misi Elly heeft hem verteld dat Jaguarman niet van vliegen houdt. Het ritueel moet voltrokken worden met vaste grond onder de voeten – de grond waar Raoul normaal woont.

Het boek dat voor ons ligt, met zelfgeschilderde portretten van Raouls Surinaamse helden, begint op de eerste dag van het ritueel, een maandag, en eindigt een week later. Via dat logboek leren we over Raouls Surinaamse, christelijke vader, die niet wil dat zijn zoon zich bezighoudt met winti en met een Jaguarman die een voorvader zou zijn geweest („laat dit met rust”), we lezen over zijn uitgebreide familiegeschiedenis, en over al die Surinamers, van Anton de Kom tot aan Albert Helman, van Leo Ferrier, Anil Ramdas, Astrid Roemer, Ellen Ombre en nog vele anderen, die al schrijvend Het Monster de baas probeerden te blijven.

Lees ook dit interview met Astrid Roemer ‘Ik maak sculpturen van taal’

Het Monster? Raoul de Jong: „De inheemsen hebben er een naam voor: ‘Pairaoendepo’.” Hij weet niet precies waar de klemtoon moet liggen, maar wel wat het betekent. „Ineens verschenen de eerste blanke veroveraars aan hun kusten, die hen het land zouden ontnemen en het leven zoals ze dat kenden.”

Met een weids gebaar: „Pairaoendepo: een monster zonder hoofd, met ogen en oren op de plek waar bij normale mensen het hart zit. Ik vind het een prachtig symbool voor de onderdrukking die mijn voorouders hebben moeten overleven. Die hele geschiedenis van slavernij en knechting, de uitroeiing van de inheemsen, de ontmenselijking van de Afrikaanse slaafgemaakten, de koloniale minachting voor gekleurde en zwarte Surinamers en de zelfhaat die daar het gevolg van was. Je voelt, als je in Suriname bent, hoe fijn het land ook is, dat Het Monster daar heeft huisgehouden.”

„Maar,” zegt hij met nadruk, wapperende handen, „het Monster heeft niet gewonnen. Dat onze voorouders slaven waren is één ding: veel belangrijker is dat zovelen het overleefd hebben, en dat die hun muziek nalieten, hun geesten, en hun aanhoudende verzet. Ik wilde weten met welke krachten ze dat deden, en door welk wonder ik dit leven kreeg.”

Dat is heel in het kort wat de Jaguarman symboliseert.

Geen happy end à la Spoorloos

Het was na een kleine 28 jaar de váder die zich meldde, en niet de zoon die zocht. Ineens is er het mailtje: „Ik ben op zoek naar mijn zoon Raoul de Jong.” Retourbericht van Raoul: „Wie ben jij?” Weken stilte. „Dat was het dan”, dacht Raoul. Maar een paar maanden later, op 3 mei 2012 vindt er toch een ontmoeting plaats op het Centraal Station in Amsterdam. Raoul schrijft erover: „Ik hoopte op een koning die in één klap duidelijk zou maken waarom ik een prins was.”

Ik zeg hem: „Dat krijg je met die vader die je nooit gezien hebt: hun afwezigheid moet wel een magische, ja koninklijke reden hebben.”

Raoul knikt: „Maar er gebeurde iets dat minstens zo wonderbaarlijk was. Terwijl hij mij bestudeerde en de Here Jezus aanriep, merkte ik dat ik niet goed kon bepalen waar ‘ik’ ophield en ‘hij’ begon. Hij leek ontstellend veel op mij, hij was mij en ik hem.”

Om antwoorden te vinden moest ik mijn tempo vertragen en leren om mijn vragen op een andere manier te stellen

Raoul de Jong

Toch kwam er geen happy end zoals in het televisieprogramma Spoorloos, want het contact was weliswaar hartelijk maar niet erg bestendig, en vlak voor de geplande reis naar Suriname liet de vader verstek gaan. En eigenlijk speelt hij geen noemenswaardige rol meer in de rest van het boek.

Raoul: „Maar dit boek is wel een ode aan hem en aan zijn erfenis. Hij was de gangmaker, de man die de poort naar Suriname opende, naar de jungle en mijn voorouders, onder wie een inheemse vrouw, een Arowak, aan wie ik volgens mijn vader mijn blauwe ogen te danken heb. Dankzij de vader kreeg ik het besef dat ik mijzelf niet heb uitgevonden, dat ik niet zomaar ‘een bruin stipje ben in een witte wereld’ zoals ik eerder schreef, maar dat ik deel uitmaak van een groter geheel, vol magie en piaimannen en bonumannen (inheemse en creoolse medicijnmannen).

„Ik zou de lijn van mijn voorvaderen uitzoeken, ik zou de plantage bezoeken bij de Motkreek, waar ze gewoond en gewerkt hadden, als net bevrijde slaven. En precies daar moest ik volgens mijn vader niet wezen, omdat onze voorouders er, zoals hij fluisterde ‘slechte dingen hadden gedaan’. Net als hun voorouders in Afrika. Omdat niemand hun nog had verteld dat er maar één God bestaat.”

De kracht van de Jaguarman

Maar de kracht van de geheimzinnige Jaguarman lonkte, en Raoul heeft al zijn hele leven „vertrouwd op bepaalde krachten, waar ik ook ben, die het goede met me voorhebben. Hoe vaker ik mijn lot in handen durfde te leggen van het lot, hoe duidelijker het werd dat er iets was wat me hielp”.

„Ooit vertrok ik met 50 dollars op zak naar New York, dat vond iedereen toen een razend slecht idee. Ik zou aan de crack raken, beroofd worden en ook nog eens doodgeschoten. En zie wat er gebeurde: Ik liep daar mijn liefde Gianluca tegen het lijf, na veertien jaar nog steeds mijn vriend, en ik werd toegelaten tot een club waar Madonna optrad. Oog in oog met Madonna!

„Ik had nooit een naam voor die krachten, tot ik op zoek ging in Suriname. Het wintigeloof omschrijft die krachten als de geesten van mijn voorvaderen, die mij leiden. Ik ben niet gelovig opgevoed, maar zat als kind wel op een rooms-katholieke lagere school. Daar hoorde ik de wondere verhalen uit de Bijbel. Mijn moeder en haar familie zijn al generaties lang niet gelovig, Groningers zonder God. Dus als ik thuiskwam en vroeg: is het dan echt gebeurd, al die dingen van Jezus en de wonderen, kreeg ik van iedereen te horen: ‘Niet echt.’

„Maar toen al dacht ik: Als het jou niet lukt mij te verzekeren: ‘Echt niet’, dan blijf ik nog even nieuwsgierig naar alle mogelijkheden die voorliggen. Ik neem de proef op de som.”

Lees ook De column van Raoul de Jong over zijn opa

In de voorbereiding op zijn Surinamereis las Raoul veel Surinaamse literatuur, maar ook boeken van Afrikaans-Amerikaanse schrijvers. „Waaronder de biografie van schrijver en dichter Maya Angelou (1928-2014). Ik ontdekte toen pas dat ze geboren was als Margueritte Johnson, en zichzelf niet alleen een nieuwe naam cadeau heeft gegeven, maar ook een ander levensverhaal. Daarin was zij geen nazaat van arme mensen uit het zuiden van de Verenigde Staten, maar de dochter van een Afrikaanse koning.

„Die voor- voorvader, die zichzelf kon veranderen in een jaguar als het gevaar dreigde: dat past bij de magische wereld waarin ik als kind al leefde. ‘Indianen’ – zo heetten ze toen nog –, het regenwoud: ik fantaseerde er voortdurend over. Ik heb het ook altijd tamelijk gewoon gevonden om met bomen te praten. Pas na de ontmoeting met mijn Surinaamse vader werden die herinneringen weer urgent; ik besefte dat ik, zonder dat ik dat vermoedde, altijd al een beetje Surinaams geweest was.

„Ik vloog naar Suriname, alleen, ik zou er drie maanden blijven, en ik geloofde dat ik enkel uit het vliegtuig hoefde te stappen of de dingen zouden mij overkomen. Dat was natuurlijk niet zo, ik realiseerde me toen pas hoe vaag mijn aanwijzingen waren, hoe weinig er over was van de verhalen van mijn vader. Ik had verwacht dat ik zou opgaan in de Surinaamse bevolking maar ik viel door de mand. Mijn Nederlands klonk ineens zo hard en bekakt. Ik was voor anderen toch vooral een bruine, Hollandse toerist. Ik heb daar geleerd dat ik ‘vrijpostig’ ben, een mooi woord dat zoveel wil zeggen als ‘brutaal, onbeschaamd’. Om antwoorden te vinden moest ik mijn tempo vertragen en leren mijn vragen op een andere manier te stellen. Ik moest proberen om zelf meer Surinaams te worden.”

Naar de Motkreek

„Ik ben, onder andere, met een gids en wat andere mensen per bootje naar de Motkreek gegaan, de plaats waar mijn vader me voor gewaarschuwd had. Maar het bos had zowat alles met een mantel van lianen en dicht struikgewas bedekt. Er was feitelijk niets te zien, ik moest mijn verbeelding gebruiken.

„Na enig speurwerk kwam ik erachter dat ik een grootvader had die weer afstamde van een Chinese contractarbeider; hij arriveerde in maart 1866 per schip in Suriname. Dus inheems, creools, Chinees en al het andere dat Suriname te bieden heeft; ineens hoorde het allemaal bij mij, bij mijn stamboom. Dat is een overdonderende ervaring: je wereld wordt zoveel groter en ruimer.”

In het boek begin je iedere ochtend van het weekritueel te praten met de Jaguarman, zeg ik. Bijvoorbeeld zo: ‘Beste Gij die mijn voorvader zijt, openbaar U’. Het lijkt sterk op een gebed?

Raoul peinst en knikt: „Elk hoofdstuk is een overpeinzing van die dag en die sloot ik ook weer af met ‘Amen’. Wat zoveel wil zeggen als ‘Het zij zo. Het is waar.’ Ik hou van het idee dat er iets onzichtbaars is waaraan je dingen kunt vragen. Is dat religieus? Amen.

Mijn voorouders zijn heel lang niet gehoord, maar ze hebben wel degelijk gesproken

Raoul de Jong

„Lang ben ik bang geweest voor de woorden van mijn vader: dat ik met mijn zoektocht ‘slechte dingen’ omhoog zou halen, een vloek. Door in de Surinaamse geschiedenis te duiken, begon ik te begrijpen waar dat idee vandaan komt. Het is overgeleverd uit het Oude Testament, waar aartsvader Noah zijn zoon Cham vervloekt, omdat deze zoon hem dronken heeft zien dansen in zijn tent en zijn vader heeft uitgelachen. Noah vervloekt later deze Cham, en meteen ook de kinderen van Cham. Zij zullen in het vervolg knechten zijn.

„En de kinderen van Cham worden in de latere christelijke traditie dan weer gezien als de nazaten van gekleurde en zwarte mensen. Zo vormde die vloek een perfecte legitimatie voor de slavernij.

„Volgens de oude bijbeluitleg ben ik een kind van Cham, en hoewel ik er wel degelijk bang voor ben geweest, weet ik nu zeker dat de vloek niet werkt. Niet meer. De ban is gebroken, overal in de westerse wereld bevestigen gekleurde en zwarte mensen hun bestaan.

„Die vorm van overleven – daarvoor ben ik mijn voorvaderen dankbaar. Ik stam niet af van kinderen van Cham, ik stam af van jaguars, van mensen die de hel op aarde moesten overleven om mij dit leven te kunnen geven. Mijn voorouders zijn heel lang niet gehoord, maar ze hebben wel degelijk gesproken, blijkt als je zoekt. Ik denk dat het de wereld een beetje mooier maakt als we gaan luisteren naar wat ze te vertellen hebben. Daarom schreef ik dit boek.”