Recensie

Recensie Boeken

Deze zes boeken maken kans op de belangrijkste literaire prijs ter wereld

Booker Prize 2020 De shortlist van de Booker Prize, ’s werelds belangrijkste literaire prijs, grossiert dit jaar in verrassingen. Vooral de keuze voor vier debutanten en het gebrek aan literaire techniek en humor vallen op.

Natuurlijk, als het om literaire prijzen gaat is een verrassende shortlist nooit weg, maar de jury van de Booker Prize komt dit jaar wel heel verrassend uit de hoek: onder de zes genomineerde romans bevinden zich maar liefst vier debuten. Een diverse lijst is het ook: vier auteurs van kleur, twee mannen, vier vrouwen. Nog een opvallend feit: op één na komen alle auteurs uit de Verenigde Staten. De tijd dat alleen auteurs uit Groot-Brittannië en de Commonwealth naar de Booker konden dingen is sinds 2014 voorbij.

Zoals altijd schitteren ook dit jaar een paar grote namen door afwezigheid. Zo ontbreekt Summer, het slotdeel van Ali Smiths vier seizoenen-cyclus, en, nog opvallender, Hilary Mantels derde deel van haar trilogie over Thomas Cromwell, De spiegel en het licht; de eerste delen werden beide met de Booker bekroond. Geen drieslag dus voor Mantel. „Absoluut een prachtige roman”, zei jurylid Lee Child over Mantels boek, „maar er waren betere.” Zo’n uitspraak roept verwachtingen op, met name als het gaat om de vier debutanten. Laten we met hen beginnen.

Avni Doshi (1982) is geboren in de VS maar woont in Dubai. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik nooit heb genoten van de ellende van mijn moeder,’ luidt de eerste zin van Burnt Sugar. Dit is een moederboek, dat kan niet anders. Kunstenares Antara is een Indiase jonge vrouw die als kind ooit door haar moeder werd meegenomen naar een ashram van een plaatselijke goeroe. Heel haar leven is eigenlijk een slow motion-gevecht met haar moeder geweest, en dat gevecht gaat nog steeds door, ook nu haar moeder dementeert. Als het om laconiek vertelde desillusie gaat, doet het boek denken aan het werk van Ottessa Moshfegh, maar Doshi slaagt er niet in om een soepel lopende eenheid van haar verhaal te maken. Soms wordt de taal plechtstatig en het ritme van haar zinnen is stroef, alsof je over brokkelig terrein wandelt. Wel roept de roman interessante vragen op over artistieke uitbuiting: mag je de ellende van anderen verheffen tot kunst?

Qua titel en omslag doet Real Life van Brandon Taylor (1989) denken aan A Little Life van Yanagihara. Toeval of niet, ook in deze roman worden de wederwaardigheden van een groep jongeren beschreven. Hoofdpersoon Wallace is een zwarte homoseksuele student op een Amerikaanse universiteit.

Witte studenten

Haarscherp laat Taylor het racisme in de onderlinge verhoudingen zien. Een etentje levert een wrange en leerzame scène op die de volstrekte eenzaamheid van Wallace toont. Eerst wordt hij door een witte student op zijn plaats gezet, en als de andere witte studenten die erbij waren en niets deden achteraf hun excuses maken, beseft Wallace dat die studenten het zelfs dan nog alleen over zichzelf hebben, en niet over hem.

Taylor baseerde zich op eigen ervaringen als zwarte homoseksuele student en schreef het boek in vijf weken. Het jeugdtrauma dat hij Wallace meegeeft werkt niet zo goed. In het begin gebruikt hij te geforceerde vergelijkingen en stapelt hij beeld op beeld. Later wordt dat goddank minder, maar het proza blijft hier en daar iets moeizaams houden.

In The New Wilderness van de Amerikaanse Diane Cook (1976) die eerder een verhalenbundel publiceerde) probeert een groep mensen jarenlang te overleven in een uitgestrekt, ruig natuurpark. Centraal staat de verhouding tussen moeder Bea en dochter Agnes, die zich steeds beter thuis voelt in de natuur. Een strakkere spanningsboog had het boek veel goed gedaan. Het verhaal meandert: in het begin lijkt de groep al enigszins verdierlijkt, maar die ontwikkeling wordt niet voortgezet. Cook schrijft stroef, en ook zij klinkt hier en daar plechtstatig. Agnes is een mooi personage, dat wel, maar niet alles is geloofwaardig en als dystopie is de roman schematisch.

De laatste van de vier debutanten is de in Schotland geboren maar naar New York geëmigreerde Douglas Stuart (1976). De titelheld van zijn roman Shuggie Bain is een jongen die in Glasgow opgroeit onder de hoede (of dat nu juist niet) van zijn alcoholische moeder. De gevoelige Shuggie praat anders en kleedt zich anders en ligt er dus uit. Intens, goed geschreven en tragisch, vooral als het gaat om de verwoestende verslaving van zijn ooit glamoureuze moeder.

Maar gaandeweg gaat het slepen, omdat de ellende maar blijft komen, ruim 400 pagina’s lang, niet zozeer zonder genade als wel zonder variatie, en zonder al te veel verhaal. Wel zijn er hartbrekende scènes, zoals die waarin de nieuwe vrijer van moeder haar meeneemt naar een duur restaurant, net wanneer ze eindelijk droog staat. De onbeholpen sukkel probeert haar ervan te overtuigen dat ze best voor de gezelligheid… Waarna een nieuwe gruwelperiode van drankmisbruik begint.

Stuart, die het boek baseerde op zijn eigen jeugd, geeft zijn Shuggie een overtuigende toon mee, en vermijdt larmoyantie (misschien zijn grootste prestatie hier). Als schrijver is hij het verst van de vier debutanten. Had iemand hem nu maar verteld dat zijn boek geholpen was met iets minder pagina’s en iets meer verhaal.

Debutantenprijs

Geen van deze vier romans had misstaan op de shortlist van een debutantenprijs, en Shuggie Bain zou dan een logische winnaar zijn. Maar we hebben het niet over een debutantenprijs en het is nogal wat om deze boeken hoger in te schatten dan, bijvoorbeeld, de genoemde romans van Smith en Mantel. Literaire techniek lijkt voor de jury geen criterium te zijn geweest. Nog twee romans te gaan, van meer ervaren auteurs.

The Shadow King, de tweede roman van de Ethiopisch-Amerikaanse auteur Maaza Mengiste (1974), speelt in 1935, wanneer het fascistische Italië van Mussolini Ethiopië binnenvalt. Mengiste schreef de roman om de rol te benadrukken die Ethiopische vrouwen (onder wie haar overgrootmoeder) in die oorlog speelden. Eerst lijkt het te draaien om de verhouding tussen dienstmeisje Hirut en Aster, de vrouw van haar baas. Later komen ze allebei in het Ethiopische leger terecht, en in de oorlog, en dan krijgt het verhaal panoramische trekken. Ook de tegenpartij krijgt aandacht, bijvoorbeeld de Italiaanse kampcommandant, en een Italiaanse oorlogsfotograaf die gefascineerd is door Hirut; hij ziet haar niet echt, ook al denkt hij van wel.

De taal van de roman is vaak plechtstatig, iedereen denkt beschouwelijke, betekenisvolle gedachten. Dat geeft het verhaal iets gedragens en mythisch, en het schept afstand, alsof je de actie bekijkt door de verkeerde kant van een verrekijker. Dat effect wordt nog versterkt door fragmenten waarin een koor commentaar geeft, als in Griekse drama’s. Zo raakt Mengistes zorgvuldig uitgewerkte en gedocumenteerde verhaal je toch minder dan je zou willen.

Vrijgezel

De laatste roman van de lijst, This Mournable Body, is de derde roman van de Zimbabwaanse Tsitsi Dangarembga (1959). Dat maakt haar de absolute veteraan van dit gezelschap. Het is ook haar derde over Tambudzai, een inmiddels niet meer zo jonge alleenstaande vrouw die zich staande moet houden in Harare, de hoofdstad van Zimbabwe.

Tambu zoekt een nieuw onderdak omdat ze te oud is geworden voor het hostel waar ze verblijft, ze zoekt werk omdat ze is opgestapt bij het reclamebureau waar ze werkt, ze probeert, kortom, om niet ten onder te gaan. Het leven zit haar dwars, ze zit zichzelf dwars, een baan als lerares komt ten einde als ze in de klas haar frustratie van zich af mept.

Het boek wordt verteld in de tweede persoon enkelvoud, altijd een lastig perspectief, met gevaar van nadrukkelijkheid en sentiment, maar Dangarembga speelt het klaar, ze laat het zakelijk en streng klinken. Doordat Tambu zich sommige dingen niet of slecht herinnert, tast ook de lezer tijdelijk in het duister, wat goed werkt, want zo blijf je bij de les. Wanneer Tambu betrokken raakt bij een ecotoeristische onderneming van een witte ex-klasgenoot krijgt de roman satirische trekken.

Uiteindelijk lijkt Tambu te triomferen wanneer ze als reisleidster haar eigen geboortedorp mag transformeren tot een toeristische attractie. In de strijd om het bestaan die Dangarembga schetst, heeft iedereen een positie te veroveren of te behouden. Niemand heeft tijd of geld genoeg om aardig te zijn. Inzicht en zelfinzicht zijn schaars. Daarom raakt het wanneer Tambu opeens haar nichtjes toewenst dat hun levens nooit zullen worden als het hare, en dat ze nooit ten oorlog zullen hoeven te trekken, zoals hun moeder.

Oorlog – dat is wat de romans van Mengiste en Dangarembga gemeen hebben, maar ze gaan er op verschillende manieren mee om. In The Shadow King wordt op bijna epische wijze een oorlog beschreven, en de rol van vrouwen daarin. In Dangarembga’s roman worden vrouwen beschreven die nog steeds te kampen hebben met de wonden die de vroegere onafhankelijkheidsoorlog heeft geslagen, zowel geestelijke als lichamelijke. Waar Mengiste haar personages mythische proporties geeft, benadrukt Dangarembga het menselijke, al te menselijke. Daarin gaat ze ver: een sympathiek personage is ver te zoeken, en dat maakt het lezen van haar roman een stroeve ervaring.

Actuele thema’s

Behalve oorlog tellen deze zes romans nog meer klassieke dan wel actuele thema’s: de verhouding tussen wit en zwart (Taylor, Dangarembga, Mengiste), de relatie tussen moeders en kinderen (Doshi, Cook, Taylor), homoseksualiteit (Stuart, Taylor); en dan hebben we ook nog het klimaatprobleem (Cook), armoede en verslaving (Stuart).

Bij het samenstellen van deze shortlist heeft de jury gekozen voor zwaarte en ernst. Niet alleen als het om thematiek gaat, ook qua stijl zijn de genomineerden zwaar op de hand. Dangarembga is de enige van de zes die gebruik maakt van ironie en humor. Maar ze doet het spaarzaam, en op een wrange manier. Toch zou ze alleen al daardoor de prijs verdienen – ze maakt het meest effectief gebruik van literaire middelen.

Het is jammer dat in deze lijst, die meer van een kennismakingsrondje heeft dan van een shortlist, de verlichtende werking die literatuur kan hebben nauwelijks is terug te vinden – dat vitale element dat ’m zit in de stijl, hoe de boodschap (als die er is) wordt verwoord, dat ook bij zware en ernstige romans de lezers naar binnen trekt en tot bondgenoot maakt, partij in de samenzwering tussen schrijver en lezer die elk goed boek is. Het gaat niet om sentiment of hoop, maar om het gevoel opgetild te worden, opgeheven misschien wel, in verschillende betekenissen van het woord. Daarom is het zo jammer dat er geen schrijver als Ali Smith op deze lijst staat, iemand die actuele thema’s aansnijdt maar door haar stijl, en door haar vertrouwen in de daad van het vertellen zelf, laat zien hoe licht dat kan zijn, zwaarte en ernst.