Recensie

Recensie Boeken

Wat maakt een vagebond tot een vagebond?

Vagebonden Zich weerloos maken terwijl ze weerbaar zijn, dat is wat vagebonden bindt, van Hölderlin tot Neil Young. Historicus Léon Hanssen volgde in zijn nieuwe boek hun sporen.

Een tekening van een 'tramp' uit het Victoriaanse tijdperk, eind 19e eeuw.
Een tekening van een 'tramp' uit het Victoriaanse tijdperk, eind 19e eeuw. Henry Gerbault, 1894.

In het late voorjaar van 1802 maakte de Duitse dichter Friedrich Hölderlin een drie maanden durende voettocht, van Bordeaux naar Nürtingen, een reis van meer dan duizend kilometer. Toen Hölderlin in juli in zijn oude woonplaats aankwam herkenden zijn vrienden hem niet meer. Hij was ernstig verwaarloosd, had een holle, verwilderde blik in zijn ogen en leed aan ongecontroleerde woede-aanvallen.

De daaropvolgende jaren verergerde zijn toestand. Hij sprak in niet-bestaande woorden, een mengsel van Duits, Grieks en Latijn, leek het wel. Slechts af en toe lukte het hem nog om brokstukken van poëzie te produceren.

Een meubelmaker, die Hölderlins werk bewonderde, nam hem in zijn huis op, waar de dichter de laatste zesendertig jaar van zijn leven doorbracht in een eenzame torenkamer, waar hij doelloos en in zichzelf mompelend heen en weer liep, geplaagd door toenemende spasmen en verlammingen.

Een tragisch verhaal, zou je zeggen. Maar Hölderlins ziektebeeld sloot zo goed aan bij de mythe van het excentrieke genie, die juist in de negentiende-eeuwse Romantiek hoogtij vierde, dat zijn bewonderaars zijn onsamenhangende uitbarstingen vergeleken met ‘razende hymnen’, die misschien wel de sleutel tot een ‘goddelijk geheim’ in zich droegen.

Neil Young

In zijn verzameling essays over ‘vrije denkers’, onder de titel Handboek voor de vagebond, voert cultuurhistoricus Léon Hanssen de voettocht van Hölderlin op als een ‘vagebondage’ – eigenlijk helemaal in lijn met die mythe van de geniale gek uit de Hoogromantiek. Hölderlins voettocht door Frankrijk en Duitsland had hem ‘het filosofische licht’ doen zien, schrijft Hanssen haast extatisch: ‘Het zijn uiteraard onze eigen voeten die ons spoor in het landschap bepalen, maar wie eenmaal door de “heldere verte” is gegrepen, heeft het gevoel alsof hij door een godheid wordt geleid. Geleid naar die ene plek waar alle heilige oorden van de wereld samenkomen.’

Hanssen, die eerder naam maakte met biografieën van Menno ter Braak en Piet Mondriaan, nam ook in die boeken geregeld ruimte voor lyrische cultuurfilosofische uiteenzettingen, maar wisselde ze af met empathische beschrijvingen van zijn hoofdpersonen met veel oog voor persoonlijke details.

Die biografische blik is aanzienlijk minder aanwezig in het Handboek voor de vagebond. In zijn hoofdstuk over Hölderlin bijvoorbeeld gaat Hanssen niet in op de persoonlijke tragedie die volgde op de voettocht van Bordeaux naar Nürtingen; van een dichter die alle zelfredzaamheid in zijn leven verloor, tot hij zelfs de controle over de taal was kwijtgeraakt.

In het boek passeren tientallen vrijgevochten persoonlijkheden de revue, van Pier Paolo Pasolini tot Kierkegaard, van Dostojevski tot Neil Young, maar van de daadwerkelijke zwerftochten in hun levens komen we weinig te weten. Die worden hoogstens kort aangestipt, om ze vervolgens aan te grijpen voor allerlei filosofische bespiegelingen: ‘de uitdaging wordt dus zich weerloos te maken terwijl men weerbaar is. Dit is de typische vagebondenattitude.’

Wild

Het boek staat vol met nieuwe definities van het begrip ‘vagebond’, ‘vagebonderen’ en ‘vagebondistisch’, die soms tot esoterische hoogten stijgen en soms lijden aan al te straffe literatuurwetenschappelijke exercities. En dat is jammer, want er schuilt een oprechte bevlogenheid in dit boek, een liefde voor de speelsheid, die best aanstekelijk zou kunnen zijn.

Die liefde blijkt nog het meest uit de passages waarin Hanssen persoonlijke ontboezemingen doet, bijvoorbeeld dat hij graag ’s nachts, met een lampje om zijn hoofd gebonden, rondloopt door het park bij hem om de hoek in Eindhoven, waar het ‘wild genoeg’ is: ‘In het nachtelijk duister zie je dingen in de lichtbundel voor je en hoor je dieren die je anders helemaal ontgaan [...] het opvliegen van een kauw of duif hoog in de bomen, het fladderen van allerlei motjes in de mist.’

De sympathieke boodschap van het Handboek voor de vagebond, dat de vreugde van het leven schuilt in het bewandelen van onverwachte paden, heeft meer grond onder de voeten nodig.