Recensie

Recensie Boeken

De ruïnes en dwaasheden van een verenigd Europa

Europa De Europese Unie draait niet alleen om integratie, maar ook om stagnatie, schrijft historicus Patel in een boek dat verplichte kost op scholen zou moeten zijn.

De skyline van Frankfurt am Main.
De skyline van Frankfurt am Main. EPA

Voor sommigen is Europa een droom, voor anderen een nachtmerrie. In zijn boek Project Europe; A History houdt historicus Kiran Klaus Patel zich verre van beide standpunten. Hij is federalist noch nationalist. Na jaren onderzoek concludeert hij dat de Europese eenwording geen lineair project is op weg naar de beschaving of juist zelfdestructie. Voor hem is het ‘een gebouw dat zijn grillige geschiedenis weerspiegelt met ronde en hoekige bogen, met dichtgemetselde ramen en nieuwe ramen die alweer zijn ingegooid, met nieuwbouw, uitbouwtjes, ruïnes en dwaasheden’.

Dit boek zou verplichte kost moeten zijn op school. Het verklaart waarom het soms goed gaat met Europa en soms niet, waarom het steeds zware crises overleeft, waarom het zo moeilijk te begrijpen is, en ook waarom het zowel supermachtig is als totaal machteloos. Patel stelt vast dat de Europese eenwording niet verloopt volgens een masterplan, maar veeleer het product is van constante improvisatie en transformatie. Als je zo kijkt, begrijp je beter met wat voor beest je te maken hebt.

Patel schopt allerlei heilige huisjes om. Omdat de EU uiteindelijk voortkomt uit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), schrijft hij, denken we vaak dat de EGKS succesvol was. Ten onrechte: na 1945 waren diverse internationale organisaties veel prominenter, zoals de Raad van Europa, Oeso, WEU en UNECE. Europa was toen ‘een laboratorium waarin meerdere tests werden uitgevoerd’. Dat uiteindelijk de EGKS – na samengaan met Euratom en de Economische Gemeenschap in de ‘Europese Gemeenschappen’ – de Europese integratie zou voortdrijven, was niet vanzelfsprekend.

Angst

Waarom het toch de EG was waarin verdere Europese integratie ontkiemde, en niet een andere organisatie? Patel geeft drie redenen. Een: omdat de EG vooral economisch opereerde, kwamen er snel andere taken uit voort, zoals hygiëne, sociale zaken en consumentenbescherming. De gemeenschappelijke markt was een dak waar alles onder paste. Ten tweede: omdat de EG harde, afdwingbare regels produceerde die in nationale wetgeving werden omgezet, had zij meteen een unieke juridische macht. Ten derde had ze meer geld. In de jaren zeventig en tachtig – ook door de angst die de Koude Oorlog opwekte – werd duidelijk dat de EG een blijvertje was. Terecht schrijft Patel dat dit zonder Amerikaanse steun onmogelijk was geweest.

Dat de EU in het begin een vredesproject was, bestrijdt hij. Hij lijkt ‘vrede’ vooral te begrijpen in relatie tot de Sovjet-Unie. Het klopt dat de Europeanen hun welvaartsstaten opbouwden terwijl de VS de geopolitiek ter hand namen. Maar intern diende de EG wel degelijk om conflicten te vermijden. Niet alleen tussen Duitsland en Frankrijk, of tussen het VK en Ierland, maar ook tussen sociale klassen. Zo verzachtte het Europese landbouwbeleid de economische malaise bij boeren. Op dezelfde manier helpt de EU nu bedrijven bij de digitale omschakeling.

Ook relativeert Patel het economische belang van de EG in de begindagen. Na de oorlog boomde de Europese economie vanzelf. Pas na de crises van de jaren zeventig zorgde de Europese integratie voor toegevoegde waarde. Dit verklaart waarom de EG veel burgers aanvankelijk koud liet: ze wisten er weinig van en zagen amper toegevoegde waarde. Het enthousiasme kwam later, toen de voordelen duidelijker werden. In de jaren negentig groeide de euroscepsis, toen burgers beseften hoeveel invloed de eenwording op hun leven had.

Overtuigend toont Patel aan dat de EU niet altijd om integratie draait, maar ook om ontrafeling en stagnatie. Frankrijk boycotte de EU in 1965 zes maanden lang. In dezelfde tijd leed de landbouwpolitiek onder de wisselkoersen. Velen pleitten daarom voor één munt als logische oplossing.

Maar sommige landen verzetten zich. Zo werd de interne markt drie decennia lang sterk gehinderd. ‘Disintegratie en disfunctionaliteit horen tot het politieke „normaal” in Europa,’ schrijft Patel. Brexit, het disfunctionele Europese asielbeleid en de half-dichte Schengengrenzen tijdens corona bewijzen zijn gelijk.