Opinie

Vergeleken met Auschwitz was al het andere bijzaak

Michel Krielaars

Op 7 oktober overleed de Weense schrijfster Lida Winiewicz. Ze was 92 jaar oud, maar nog lang niet der dagen zat. Ik interviewde haar in de zomer van 2018 over De verloren toon, haar herinneringen aan de jaren dertig en veertig. Van de ene dag op de andere werd ze toen door de nazi’s als kwart-Joods meisje uit het paradijs van haar jeugd verdreven. Haar ouders zouden in Auschwitz omkomen. Zelf mocht ze als Mischling voorlopig in Wenen blijven, waar ze met verbazing zag wat er om haar heen gebeurde. En ook al wendden vrienden en kennissen zich ineens van haar af en noemden ze haar ‘Jodengebroed’, ze verloor geen moment haar levenslust en gevoel voor humor.

Tijdens het interview in 2018 bruiste Lida nog steeds van die jeugdige energie. Ik kan me niet herinneren ooit zo’n leuk gesprek met een schrijver te hebben gevoerd als met haar. Onze ontmoeting was dan ook de basis van een vriendschap. Lida stuurde me haar geestige gedichtenbundel Ist die schwarze Köchin da? en nodigde me bij haar thuis in Wenen uit. Corona gooide roet in het eten. Alleen haar ontroerende kleine roman Vragen deed je niet, waarin een boerenvrouw over haar lotgevallen vertelt, liet me afgelopen zomer in vertaling nog eens haar stem horen.

Van de familie van Lida ontving ik eind oktober een brief, waarin stond dat ze intens genoten had van ‘haar late literaire bloei in Nederland’. Ook liet ze haar Nederlandse critici nadrukkelijk groeten. Een mooier en intiemer afscheid van een schrijver is bijna niet voor te stellen.

Om met Lida Winiewicz in gesprek te blijven lees ik haar (nog) niet vertaalde werk, zoals haar geestige autobiografische oorlogsroman Die Kinder gehen in die Oper (2007) en haar fragmentarische memoires Achterbahn. Vom Schreiben leben (2019). Beide boeken laten haar zien zoals ik haar ken: een opgewekte vrouw, die zich door niets uit het veld laat slaan. Niet voor niets was haar grondtoon als volwassene dat vergeleken met Auschwitz al het andere bijzaak was.

In Achterbahn vertelt ze hoe ze als Freie Schriftstellerin in haar levensonderhoud probeert te voorzien. Aanvankelijk studeert ze zang aan het conservatorium, maar om haar studie te betalen gaat ze Engelse, Franse en Italiaanse literatuur vertalen. Graham Greene, Colette en Alberto Moravia danken hun roem in het Duitse taalgebied mede aan haar.

Om in een gunstigere belastingschaal te komen, wordt ze lid van de Oostenrijkse Schrijversbond. En dan voelt ze zich ineens Schriftstellerin. Ze begint voor toneel te schrijven. Dramaturgische kennis heeft ze niet. Maar ze doet zoals het haar goeddunkt en blijft bij zichzelf. Voor haar eerste toneelstuk Das Leben meines Bruders krijgt ze in 1960 een aanmoedigingsprijs, maar uitnodigingen om iets nieuws te schrijven blijven uit.

Als ze op een aanvraagformulier voor een Wiedergutmachungsuitkering moet opgeven wat de nazi’s van haar familie hebben gestolen, krijgt ze het idee voor het toneelstuk dat haar beroemd zal maken, Die Wohnung. Het gaat over de confrontatie tussen een Joodse vrouw en de werkster van haar ouders, die tijdens de oorlog hun huis heeft ingepikt en daar nog altijd woont. En zelfs in zo’n bitter verhaal klinkt Lida’s lichtvoetigheid. Ineens hoor ik haar weer zeggen: ‘Als er iets ergs gebeurt, valt me tegelijkertijd het komische ervan op.’ Een betere levensles had ze me niet kunnen geven.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.