Opinie

Artikel 23 mag lessen in burgerschap niet hinderen

Aylin Bilic

Waar in veel Europese landen de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat centraal staan in het onderwijsprogramma, wil zoiets in Nederland maar niet lukken. Dat heeft alles te maken met de langdurige politieke strijd van onze calvinistische voorvaderen die er in 1917 toe leidde dat bijzondere (lees christelijke) scholen net zo veel centjes van de Staat kregen als openbare. Het werd vastgelegd in artikel 23 van onze grondwet en we noemden het onderwijsvrijheid.

Omdat de Franse leraar Samuel Paty onthoofd werd vanwege het tonen van een Mohammed-cartoon, en er vervolgens ook in Nederland een docent moest onderduiken, is het publieke debat rond botsende grondrechten weer in alle scherpte losgebarsten. Het gaat dan over artikel 23 versus de vrijheid van meningsuiting (artikel 7) en het non-discriminatiebeginsel (artikel 1). Simpel samengevat: heeft een bijzondere school de vrijheid om gedachtegoed te tolereren – of zelfs te propageren – waarin homo’s of vrouwen als minderwaardig worden beschouwd? Of waarin de vrijheid van meningsuiting wordt beknot?

Dertig jaar geleden kreeg ik maatschappijleer van een Belgische leraar. Hij sprong van tafel naar tafel om ons te prikkelen over uiteenlopende onderwerpen na te denken en in groepjes te discussiëren. Zo leerde ik twijfelen aan mijn eigen denkbeelden en incasseren: klasgenoten die mijn opvattingen raar vonden, of met goede argumenten onderuit schoffelden. Op die manier ontwikkelde ik standpunten en inzichten die ik in de warmte van het ouderlijk nest niet ontwikkeld had.

Tegenwoordig leven op scholen in vooral de grote steden opvattingen die stevige discussie, kritiek en spot meer dan verdienen. Ik denk natuurlijk aan holocaustontkenning, homohaat, antisemitisme en de opvatting dat de vrouw ondergeschikt is aan de man. Maar ook aan het vermeende recht om niet gekrenkt te worden in je religieuze of culturele dogma’s. Uit gesprekken met leraren maak ik op dat er nog maar weinigen zijn die begeesterd van tafel naar tafel springen om eens goed te schudden aan de geestelijke grondvesten van hun leerlingen. Ze kijken wel uit. Uiterst omzichtig snijden ze soms een gevoelig thema aan.

Hoe begrijpelijk ook dat leraren wegduiken, je zou willen dat scholen het (weer) als hun kerntaak zien om leerlingen op te voeden tot zelfstandig nadenken. Maar politieke discussies daarover worden in dit land steevast gesmoord door dat beruchte artikel 23. Deze week vond een Kamerdebat plaats over burgerschapsonderwijs. Veel Kamerleden willen dat de burgerschapslessen op scholen worden uitgebreid met een hoofdrol voor de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat.

Maar het voorschrijven van waarden grijpt te diep in op de vrijheid van onderwijs, vinden tegenstanders. De onderwijsvrijheid raakt volgens hen in het geding als de overheid gaat voorschrijven welke burgerschapsdenkbeelden leerlingen zich moeten eigen maken.

Grondwettelijk mogen scholen het thema burgerschap nu invullen op basis van hun eigen grondslag, ofwel op basis van het geloof dat kinderen van huis uit al mee krijgen. Op die manier wordt de school dus niet de plek waar ze in aanraking komen met andere opvattingen, en met de fundamentele grondbeginselen van vrijheid en gelijkheid.

Ook op openbare scholen komt invulling van het burgerschapsonderwijs niet goed van de grond, als de overheid niet duidelijk maakt welke kernwaarden centraal moeten staan. Leraren gaan het dan zelf invullen, en zwichten al gauw als die invulling slecht valt bij bepaalde groepen (islamitische of christelijke) leerlingen. Een duidelijke verwijzing naar de wet zou leraren op deze scholen enorm helpen.

Het onderwijs is gebaat bij een (wettelijke) leidraad voor het burgerschapsonderwijs. Waarin staat wat homorechten zijn, dat vrouwen en mannen gelijk zijn in de Nederlandse samenleving, dat de vrijheid van meningsuiting niet wijkt voor religieuze gevoeligheden. Maar ook dat er in tijden zonder democratische rechtsstaat in Europa op gruwelijke wijze zes miljoen onschuldige Joden zijn vermoord. En in Turkije 1,6 miljoen Armeniërs. En dat we er met zijn allen pal voor staan zoiets nooit meer te laten gebeuren.

Zo’n leidraad hadden we natuurlijk dertig jaar geleden al moeten vastleggen. Toch heb ik goede hoop dat het nog niet te laat is en dat zo’n duidelijke leidraad docenten én leerlingen helpt, en dat het de samenleving op den duur minder verdeeld maakt. Wat mij betreft kan dat eventueel mét artikel 23. Maar als dat gebruikt blijft worden om goed burgerschapsonderwijs te frustreren, dan hoop ik dat een volgend kabinet het lef heeft om dit archaïsche grondwetsartikel eindelijk eens aan de wilgen te hangen.

Aylin Bilic is ondernemer en publicist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.