De nasleep van corona: als het sportklasje voor tv nog steeds te veel is

Corona In maart krijgen NRC-redacteur en haar man Covid-19. Ruim zeven maanden later zijn ze nog steeds niet beter. „In september spelen we dat we niet ziek meer zijn. Het valt niet mee.”

Illustratie Jenna Arts

De tweede helft van maart waren mijn man en ik erg ziek. Covid-19, zeggen onze dokters nu – toen werd er niet getest. We lagen bijna de hele dag in bed, koortsig, versuft. Af en toe ging ik uit bed om alle deurknoppen te poetsen met desinfecterende schoonmaakdoekjes, want dat zou helpen tegen corona, dat was op het nieuws. Ik had niet door dat het belachelijk was om daar mijn energie aan te besteden, omdat we al ziek waren.

Meer dan zeven maanden later zijn we nog steeds niet beter. We horen bij de groep die lang klachten houdt. Wat we hebben voelt als een combinatie van de ziekte van Pfeiffer en een hersenschudding, met een scala aan steeds wisselende bijkomende symptomen. Standaard zijn vermoeidheid, spierpijn, geheugenproblemen en concentratieproblemen. Op woorden komen lukt niet – we willen shampoo op onze aardbeien, vragen ons af op welke suiker een tv-programma komt – en we beginnen dagelijks zinnen tegen elkaar waarvan we meteen al niet meer weten waar die heengingen. Stress (een moeilijke mail, iemand met een kort lontje) maakt de klachten erger; dat leidt vaak tot totale uitputting en spierpijn in de benen. Regelmatig hebben we ook ineens een piepend oor, hartkloppingen, keelpijn, geen stem meer, gevoelloze voeten en wilde, soms nachtelijke hunkeringen naar stroopwafels.

Het zijn rare klachten. Deze ziekte lijkt op niets wat ik ooit eerder heb meegemaakt, en juist daarom wil ik het opschrijven en erover vertellen. Sinds eind maart heb ik af en toe aantekeningen gemaakt: in notitieboekjes, op mijn telefoon, in mijn papieren agenda. Ik probeerde toen al iets coherents te schrijven, maar dat lukte niet. Toen ik in april het bestandje op mijn telefoon opende waar een paar lopende zinnen in stonden, wiste ik per ongeluk bijna alle tekst. Wat overbleef, bleek niet eens over corona te gaan, maar over het hoofddeksel van de paus. (Waarschijnlijk omdat die op tv journalisten had bedankt, wat me ontroerde, ik heb er een foto van op mijn telefoon.)

Akelige hoest

Dit kan ik reconstrueren: het begon op zaterdag 14 maart. We zouden (vanuit Amsterdam) een vriend in Nijmegen bezoeken, maar besloten niet te gaan. Reizen werd afgeraden, al werd daar toen lacherig over gedaan, en we waren snotterig en moe. Daar deden we ook lacherig over, maar de dagen erna kregen we koorts, keelpijn, spierpijn en een akelige hoest. We bleven in bed.

Ik weet weinig meer over die dagen. Bij de zesde dag staat opgewekt ‘koortsvrij’ in mijn agenda. Maar mijn huid, keel en spieren doen dan nog wel pijn, zeggen mijn dagboeknotities. En mijn man heeft nog boven de 38 koorts. Hij begint de coronacheck-app van het Amsterdamse ziekenhuis OLVG in te vullen. ‘De ingevoerde waarden geven aan dat u waarschijnlijk corona heeft’, meldt de app op 20 maart. We durven onze huisartsen niet te bellen; ze zijn vast overbelast.

De dag daarna kan ik ineens niets meer ruiken. Koffie niet. Knoflook niet. Chloor niet. Ik proef ook niets meer, maar écht niets. Het is veel extremer dan gewoon minder goed ruiken bij verkoudheid of griep en ik wist niet dat je er zo somber van kon worden. Ik had steeds nog zelf eten gemaakt, van al eerder bij elkaar gehamsterde spullen en van boodschappen die de (volwassen, uitwonende) zoon voor de deur zette. Nu lukt dat niet meer. Ik krijg ook nog migraine en mijn migrainemedicijn verergert de pijn nu ineens. Verder zijn onze darmen zo aangetast dat we blij zijn als we de wc halen.

Dan gaat de thermometer kapot. Dat ding was een houvast, de enige objectieve indicatie van onze situatie. We worden verrassend wanhopig. Als een collega, die al eerder hulp had aangeboden, het troostende geluid van haar spinnende kat appt, durf ik haar om een thermometer te vragen. Aan het eind van de dag brengt ze er een, én boodschappen, en de dag erop zelfs voor twee dagen eten dat we alleen maar hoeven op te warmen.

Een dag later blijkt mijn man ook koortsvrij. Hij ontdekt dat een OLVG-arts een week eerder geprobeerd heeft hem te bellen, toen de app ‘waarschijnlijk corona’ constateerde. Mijn man kan niet terugbellen, maar dat hoeft ook niet; we zijn toch door het ergste heen, denken we. Aan het eind van de tweede week ben ik weliswaar mijn stem helemaal kwijt, maar mijn smaak en reuk lijken een beetje terug te komen. Ik ga zelfs heel even naar buiten, de lege straat op.

Op 1 april ben ik jarig. Mijn familie stuurt een fruitmand. We zoomen met een paar goede vrienden en zijn daarna uitgeput. De dagen daarna zijn we weer zo moe en snotterig en moeten we zo hoesten dat we die vrijdag voor het eerst onze huisartsen bellen. Vermoeidheid? Hoort erbij, zeggen die, en als we niet meer naar de wc kunnen lopen zonder het heel benauwd te krijgen, moeten we weer bellen. Mijn dokter belt die maandagochtend terug om te vragen hoe we het weekend zijn doorgekomen. Niet zó benauwd, gelukkig.

Brievenbusconsult

We beginnen dan aan de vierde week ziek zijn. Weer denken we dat we door het ergste heen zijn. We wagen ons buiten, eerst kleine stukjes, dan iets verder, dan toch weer kleine stukjes, want verder lukt niet. Half april (ziekweek vijf) zegt de bedrijfsarts van mijn man: over twee weken ben je beter, je zult het zien. Maar onze conditie lijkt juist achteruit te gaan. We bellen onze huisartsen weer. Neem de tijd om rustig uit te zieken, zegt die van mij. En mijn man krijgt een brievenbusconsult: hij moet zijn vinger bij zijn dokter door de brievenbus steken, dan meet zij de zuurstofsaturatie in zijn bloed zonder dat ze een heel beschermend pak aan hoeft. De waarden zijn goed, toch is hij benauwd. Maar de wc haalt hij wel.

Illustratie Jenna Arts

We beginnen ons te voelen alsof we buiten de normale werkelijkheid leven, alsof we alle actualiteit missen en heel intensief meemaken tegelijk. De medische zorg en media richten zich, terecht, op mensen die doodziek zijn. Dat zijn wij niet meer, het hoesten is nu voorbij en we komen elke dag even buiten, mijn man durft zelfs al naar de supermarkt te lopen. Ik hoop steeds dat ik geen bekenden tegenkom, want een praatje maken is zo zwaar dat ik bang ben dat ik niet meer thuiskom.

We slapen veel. Lang lezen lukt niet, alleen korte stukjes. Bij elke persconferentie van Rutte zit ik klaar voor de tv, om het vervolgens vanaf de eerste zin al niet meer te kunnen volgen. We raken verknocht aan simpele tv: Tiny House Nation, reality-tv over Amerikanen die op veertig vierkante meter willen gaan wonen in plaats van vierhonderd, maar dan wel bijvoorbeeld met twintig papegaaien. En ik bekijk foto’s van onze reizen naar Japan. De laatste was in oktober 2019 en ik ben zo blij dat we niet op de kersenbloesem in april 2020 hebben gewacht.

Af en toe vind ik het onzin dat ik vrijwel niks kan. Op een ochtend probeer ik me eruit te sporten: ik doe vijf minuten mee met het televisie-gymklasje Nederland in Beweging. Daarna ben ik dagenlang totaal kapot. Tegen de vriendin die mijn belangrijkste telefonische levenslijn naar de echte wereld is, zeg ik dat op mijn grafsteen moet komen: ‘Ze dacht dat ze al Nederland in Beweging kon doen.’

Half mei bellen we onze huisartsen voor de derde keer. We hebben dan al bijna twee maanden gedacht dat we over twee weken beter zouden zijn, maar nu geloven we het niet meer. Mijn man heeft pijn op de borst en voelt soms zijn voeten niet. Mijn stem verdwijnt regelmatig, mijn linkerschouder is totaal verkrampt, mijn migraines komen vaker en zijn erger. En we zijn vooral zó moe en psychisch wazig. Kunnen wij, of zij, er iets aan doen? „Wil je misschien post-coronarevalidatiefysiotherapie?”, vraagt mijn huisarts. Ja! Mijn man wil dat ook wel, maar zijn huisarts stuurt hem eerst naar het ziekenhuis voor een long- en bloedtest. De uitslag: alles lijkt normaal, al voelt het niet normaal. Maar: we krijgen Zorg!

Niet te snel

Die fysiotherapie blijkt een zegen, maar een heel, heel traag werkende zegen. Het zijn rustige oefeningen, vooral veel varianten op diepe kniebuigingen, en je kunt ze thuis doen, dus mijn man doet mee. Het programma is gebaseerd op ervaringen bij sars-patiënten. De eerste paar keer lukken de oefeningen niet, na een week wel. Zo gaat het steeds: af en toe krijgen we zwaardere oefeningen – een oefening niet vijf maar tien keer doen, of niet verspreid over de dag maar achter elkaar – en dan kunnen we dat pas een week later. Zo gaan er weken, maanden voorbij, tot onze verbijstering. „Je moet niet te snel willen”, zegt de fysiotherapeut, „want dan duurt het langer”. Als we onze conditie vergelijken met twee, drie weken eerder, zien we vooruitgang. Maar het is geen rechte lijn omhoog. Soms gaat het ineens helemaal niet.

Illustratie Jenna Arts

Vanaf eind juni mag ik bijvoorbeeld twee keer per week in de fysiopraktijk met apparaten trainen – een kwartiertje, minimale oefeningen. Ik ga fanatiek, want ik zie fysiotherapie inmiddels als de uitweg uit alle ellende. Maar als ik begin juli weer een paar dagen in bed lig met hevige migraine, zegt mijn man: „Je ziet er nu beter uit dan toen je die fysio nog deed.” Het probleem is steeds dat je niet metéén voelt dat iets te zwaar is; soms merk je het pas één of twee dagen later. En iets kan ook de ene keer te zwaar zijn en de andere keer niet. Mijn gezonde verstand staat hier machteloos en trouwens, zo gezond is mijn verstand nog niet.

Half juli krijg ik ook een longonderzoek, voor de zekerheid. Aan mijn longen is niets te zien, maar de ziekenhuisweegschaal merkt op dat ik flink ben afgevallen: ik at mezelf op, met die oefeningen. De longarts heeft het over ‘extreem conditie- en spierverlies’ en ‘inspanningsintolerantie’. Het moet wéér langzamer; in gedachten schrijf ik de rest van 2020 helemaal af. En ik moet meer eten, vooral eiwitten. Ik krijg een diëtist aangeboden voor voedingsadvies, maar ik vind dat te inspannend; ik heb inmiddels ook al logopedie, voor mijn verdwijnende stem. Ineens is er te véél Zorg. We halen potten eiwitpoeder in huis en zorgen dat we nooit zonder stroopwafels zitten.

Uien

Dan gaat de trage, hakkelende lijn omhoog weer verder. We wandelen, doen oefeningen thuis. Eind juli gaat lezen weer normaal, begin augustus lukt het me zelfs om wat te schrijven, voor mezelf. En dan moet ik ook weer huilen als ik uien snijd. Het is 21 weken geleden dat ik ziek werd en kennelijk komen mijn geur en smaak nu pas helemaal terug.

In september spelen we dat we niet ziek meer zijn. Ik stop met logopedie (te moeilijk) en we gaan een week naar Zeeland. Het voelt als de andere kant van de wereld. Mijn man rijdt ons er met de auto heen en heeft de dag erna veel spierpijn. Maar op de terugweg is dat al minder. En zelfs rustig door de duinen lopen en fietsen lukt ons. Dat maakt ons weer wat zekerder van onszelf. Ook mijn stem wordt sterker. We beginnen voorzichtig aan werken te denken. In oktober beginnen we, zes uur per week. Het valt niet mee.

Inmiddels is het bijna november. Nederland in Beweging lukt nog steeds niet: we hebben het geprobeerd en dat betekende wéér een week overdag slapen. Stress en migraine hebben steevast hetzelfde effect: alsof je teruggezet wordt in de tijd. Dus doen we braaf onze kniebuigingen, we wandelen, en zeggen tegen elkaar: als je te snel wilt, duurt het langer. Op goede dagen weten we zeker dat we door het ergste heen zijn. Maar op slechte dagen zijn we bang dat we nooit meer helemaal beter worden.