Sporters, de kunstenaars groeten u

Essay Sport & Cultuur Door sport weg te zetten als uitlaatklep en ondertussen kunst te negeren heeft de regering de twee tegenover elkaar gezet. Dat is onterecht, ze hebben elkaar nodig. Sterker nog: jarenlang waren ze verenigd in Olympische ontmoetingen.

Studies naar bewegingen door Eadweard Muybridge, gemaakt tussen 1872- 1885
Studies naar bewegingen door Eadweard Muybridge, gemaakt tussen 1872- 1885 Foto’s Sepia Times/Universal Images

Toen Co Adriaanse begin deze eeuw coachte bij Ajax was er een wedstrijd waarbij een van de spelers één schijnbeweging te veel maakte, waardoor de aanval stierf in schoonheid. Adriaanse was woest. „Kunstenaar”, schold hij de speler uit. ‘Kunstenaar’ is als scheldwoord, zeker vergeleken met wat je normaal gesproken op het voetbalveld hoort, absoluut elegant. Maar wat vooral opvalt, is dat Adriaanse er blijkbaar een kunstopvatting op nahoudt die er kort gezegd op neerkomt dat kunst iets overbodigs is wat tot niets leidt, en dat schoonheid eigenlijk alleen maar in de weg zit van het resultaat.

Toen het kabinet vorige week tijdelijk alle kunstinstellingen sloot, terwijl sportscholen open mochten blijven als uitlaatklep in coronatijd, werd het beeld van de woedende Adriaanse weer even opgeroepen. Waarom het een wel en het ander niet? Waar komt het idee dat sport en cultuur niet samen gaan toch vandaan?

Het dédain van sporters voor de kunsten is, een uitzondering daargelaten, niet wederzijds. De Griekse dichter Pindarus schreef in de vijfde eeuw voor Christus menig lofdicht op atleten, filosoof Aristoteles zag sport zelfs als ethische verplichting. De Grieken en Romeinen plaatsten het atletische lichaam dan ook letterlijk en figuurlijk op een voetstuk. Neem de Torso Belvedere, vandaag de dag in het Vaticaan te bezichtigen, dit is een ode aan het afgetrainde sporterslichaam. Zoals het nu tentoongesteld is, is het beeld onthoofd en zijn de benen bij de knieën afgebroken. De geschiedenis is er weliswaar keihard overheen gegaan en heeft van de volmaakte atleet een antieke versie gemaakt van de Zuid-Afrikaanse blade runner Oscar Pistorius, maar dat is natuurlijk toeval: het lichaam is met liefde en zorgvuldigheid neergezet.

Willi Baumeister, ‘Rennende vrouw II’ (1925)

Sport werd in de voorbije eeuwen als iets bijzonders gezien in de kunsten, als iets goddelijks of sierlijks. Of het nu de renpaarden zijn van George Stubbs en Edgar Degas, of een ‘rennende vrouw’ (1925) van Willi Baumeister: wat afgebeeld wordt, is groots en glorieus. Het werk van de fotograaf Eadweard Muybridge – die zich met zijn medium vooral richtte op het proces van beweging en minutieus onderzocht hoe rennen of verspringen werkt – is inmiddels ook in kunstmusea te zien.

Lees ook: John Constable kon zich verliezen in de schors van een boom

William Turner begon zijn carrière zelfs als iemand die sportaffiches inkleurde, Goethe en Byron waren goede zwemmers en paardrijders, de dichter Herman Gorter was een verdienstelijk cricketspeler. En Johnny Weismuller werd op het witte doek niet Tarzan vanwege zijn acteertalent, maar dankzij zijn zwemmerstorso dat zo mooi afstak tegen de dunne lianen.

Uiteraard, toegegeven: soms worden sporters wat minder sierlijk afgebeeld – zoals op Kinderspelen van Breughel of De voetballers (1908) van Henri Rousseau, maar op deze schilderijen staat het spel centraal, in plaats van het winnen. Er zijn genoeg mensen die vinden dat wanneer spelplezier de voorkeur heeft boven de winst, er eigenlijk geen sprake is van sport.

Olympisch onderdeel

De kunst heeft, kortom, veelvuldig de schoonheid van de atleet ingezien, afgebeeld en bezongen. Maar de sportwereld heeft zich ook weer niet volkomen onbetuigd gelaten. Tussen 1912 en 1948 waren de kunsten zelfs een Olympisch onderdeel. Schrijvers, schilders, beeldhouwers, componisten (een stuk mocht maximaal een uur duren) en architecten konden medailles winnen, mits er maar een kunstwerk werd gemaakt omtrent de sport. Dat werd natuurlijk steevast een ode aan de sport, olympische haatdichten zijn niet aangetroffen.

Overigens haalde Duitsland in deze olympische tak van kunst de meeste prijzen binnen. Als voetnoot moet daarbij opgemerkt worden dat dit mede te danken is aan de Spelen van 1936, waarbij een jury van nazi’s talloze ‘artete’ kunstwerken beloonde met medailles, maar ook los daarvan: Duitsland was altijd al een kunstminnend land.

Isaac Israëls, ‘Rode rijder’ (Ing. J.P. Leeuwenburg), datering ca. 1920-1928. Leeuwenburg herkende in het geschilderde paard niet zijn eigen paard.

Nederland sprak ook een woordje mee, en behaalde twee keer een gouden medaille in de kunsten, beide keren in 1928 – niet geheel toevallig vonden toen de Spelen in Amsterdam plaats. Jurysport – altijd bewerkelijk. Isaac Israëls won goud in de categorie ‘schilderkunst’ met zijn afbeelding van een ruiter: Cavalier Rouge. Dat was mooi voor Israëls, want de afgebeelde ruiter – en opdrachtgever zelf – Jacobus Pieter Leeuwenburg, had het daarvoor afgewezen en geweigerd Israëls te betalen voor het doek. De reden van zijn afwijzing was dat het afgebeelde paard te weinig overeenkwam met het daadwerkelijke paard, wat nog maar eens bewijst dat de kunstopvatting vanuit de sport nogal eendimensionaal is; Leeuwenburg lijkt Co Adriaanse wel: het moet lijken, kloppen, doelmatig zijn.

Israëls’ doek van de ruiter op paard voldeed niet: het paard zag er in het echt anders uit

Jan Wils kreeg in dat jaar een gouden medaille in de categorie Architectuur voor zijn ontwerp voor het Olympisch Stadion, waarmee natuurlijk de waardering werd uitgesproken voor de ambiance waarin de sporters hun lichamelijke prestaties moesten leveren. Een soort naar zichzelf verwijzende medaille dus, die je als een escheriaans kunstwerk zou kunnen interpreteren, maar ook als een ‘wij van wc-eend’-reclame.

Toen de prijzen in 1912 voor het eerst werden uitgereikt, vielen sport en kunst overigens voor één keer samen (zij het ook meteen voor het laatst). De Amerikaanse beeldhouwer Walter Winans won goud voor zijn beeld van een jockey en zijn paard. Tijdens diezelfde Spelen won hij ook zilver bij het toen nog bestaande onderdeel ‘Schieten op een lopend hert’.

Voor literatuur en muziek werden tijdens de Spelen tot 1948 het minst vaak medailles uitgereikt, omdat de jury het niveau van de inzendingen vaak te laag vond. Al won in 1932 wel Josef Suk, de schoonzoon van Dvorák, goud voor zijn mars In een nieuw leven. Het is geen werk dat het repertoire gehaald heeft.

Maar dit soort parallellen is aan de Nederlandse politiek niet besteed. Met de suggestie dat sport als ‘uitlaatklep’ voor burgers belangrijker is dan kunst, begeven ze zich op glad ijs. Krijgt Körperkultur de voorkeur boven kunstzinnige verbeelding?

Gymnastiekuur

Er is veel veranderd sinds Rudy Kousbroek in 1971 zonder twijfel definitief meende af te rekenen met sport: „Het gymnastiekuur! Het was het uur waarop de twee of drie Neanderthalers van de klas, die de overige lesuren met lege ogen binnensmonds zaten te boogie-woogiën, tot leven kwamen”, schreef hij. En vervolgde: „Het was het uur waarin hun opgekropte belustheid om met romp en ledematen agressieve bewegingen te maken eindelijk hun vrije loop kon krijgen; een primitieve belustheid om in houten rekken te klimmen.” En ook Midas Dekkers – die in Lichamelijke oefening iedere sportliefhebber het liefst wilde wegzetten als een liefhebber van Leni Riefenstahls film Olympia over de Spelen van 1936 in Berlijn – heeft het pleit niet in het voordeel van de kunsten kunnen beslechten.

Inmiddels is de kunst uit de sport verdwenen, terwijl de sport wel een steeds dankbaarder onderwerp in kunst wordt. Zoals in het werk Three Ball Total Equilibrium Tank (Two Dr J Silver Series, Spalding NBA Tip-Off) uit 1985 van Jeff Koons, waarbij drie basketballen in gedestilleerd water blijven drijven als afgedankte artefacten. Een sportmoment geabstraheerd en vereeuwigd, de kunst draagt de bal. Koons bewijst dat sport die vereeuwigd wil worden de kunst goed kan gebruiken, al dacht Co Adriaanse daar misschien anders over.

Maar Adriaanse vergist zich. Sport heeft kunst nodig. Dat bewees Tim Krabbé ook in 1978 met zijn boek De renner. Daarin heeft hij oog voor ontbering, relativering, ritueel en vooral: verlies. In deze roman vertelt Krabbé over de ellende die hij als renner meemaakte tijdens zijn beklimming van de Mont Aigoual, een flinke beklimming die echter pas in 2020 voor het eerst werd opgenomen in de Tour de France. Toen Krabbé hem besteeg, was het een minor bergje. In dit boek lijkt het hele leven zich samen te ballen in die ene wielerrit, en alle pijn en ellende die daarmee gepaard gaat.

Dat we daarover graag lezen, blijkt ook uit het grote succes van de sportboeken van Michel van Egmond, die zowel tragische, sympathieke figuren (Kieft) als Kousbroek-achtige Neanderthalers (Gijp) op een manier neerzet die mededogen oproept. Dankzij Van Egmond en Krabbé ontsnappen we aan de winnaarscultuur van de juichende spierbonken van Leni Riefenstahl. Dat is geen verlies, dat is winst.

Voor wie het nog niet weet: de hoofdpersoon van De renner wordt tweede. Is dus een verliezer. Zijn rit was niet doelmatig. Misschien heeft hij wel te veel nagedacht, beleefd, overwogen, gedeeld. Te veel troost geboden om met killerinstinct die laatste sprint te winnen. Je zou bijna zeggen, misschien was hij wel een kunstenaar.