Foto Kees van de Veen

Interview

Douwe Draaisma: ‘Als we later terugkijken, ging deze tijd snel’

Wat maakt het leven de moeite waard? ‘Geheugenprofessor’ Douwe Draaisma over hoe we ons de pandemie straks herinneren. „We onthouden wel hoe erg het was, maar vergeten hoelang we eronder geleden hebben.”

Tik. Tok. Tik. Tok. Het negentiende-eeuwse uurwerk met messing raderen en enorme gewichten is afkomstig uit een klokkentoren en staat nu op een houten onderstel in de Groningse huiskamer van Douwe Draaisma. Luid en precies tikt het de seconden weg, de chronologische tijd die niet versnelt of vertraagt. Door het werk van Draaisma (1953) vloeit een andere tijd, de subjectieve, die wordt gevormd en soms schokkend vérvormd door onze zintuigen en het geheugen, zelfs na vele jaren.

Als hoogleraar geschiedenis van de psychologie aan de RUG – alias ‘de geheugenprofessor’ – is hij sinds september vorig jaar met emeritaat. Maar niet als schrijver. Draaisma ontsloot zijn vakgebied in een reeks populaire boeken, met Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001) en Als mijn geheugen me niet bedriegt (2016) als bekendste. Een nieuw boek, Achter de spiegel, over wanen, is bijna af.

We spreken elkaar op de dag dat premier Rutte een verdere verzwaring zal aankondigen van het coronaregime: niet meer naar museum, bibliotheek en theater, nog minder sociale contacten, meer thuisblijven. En de vraag is dan natuurlijk wat dat voor effect heeft op onze beleving van tijd.

„Je ging ’s maandags naar je werk en na vijf dagen kwam het weekend”, zegt Draaisma. „Voor veel mensen had elke dag een eigen gevoel: je had een typisch maandaggevoel en een typisch vrijdaggevoel. Dat merkte je als je bijvoorbeeld na het paasweekeinde aan het werk ging, dan kreeg de dinsdag een maandaggevoel. Met al dat thuiszitten worden de dagen nu eenvormiger. Het wordt moeilijker gebeurtenissen te dateren in het verleden. Was dat nu twee of drie dagen geleden? En dan blijkt het vijf dagen te zijn.”

Gaat de tijd dan sneller of langzamer?

„In een weekje vakantie vliegen de dagen vaak voorbij, je maakt van alles mee, en als je na een week weer thuis bent kun je niet geloven dat het maar zeven dagen waren. Hoe sneller ze voorbijgaan op het moment zelf, hoe meer ze uitzetten in de terugblik.

„Bij verveling gebeurt het omgekeerde: de dagen zijn lang, lastig door te komen, maar in de terugblik lijken ze juist korter. Dat hebben veel mensen nu. De markeringen vallen als het ware weg: jubilea, verjaardagen die niet gevierd worden. In de achteruitkijkspiegel kan zo’n periode gaan krimpen.”

Hoe zullen we ons deze periode later herinneren?

„Grote gebeurtenissen die ons overvallen en die de samenleving in beroering brengen – zoals de moord op Pim Fortuyn, de vuurwerkramp in Enschede, ‘11 september’ – veroorzaken een fenomeen dat ‘telescopie’ heet. Mensen hebben er zulke scherpe herinneringen aan dat ze consequent denken dat ze korter geleden zijn dan in werkelijkheid het geval is. Toch is die vuurwerkramp echt al twintig jaar geleden.

„Door het sluipende begin, met kleine berichten over een mysterieuze ziekte in China in december, zal dat met deze pandemie niet gebeuren, vermoed ik. De lege Dam met de toespraak van de koning, ambulances bij de IC’s, zwaaien naar familieleden in verpleeghuizen – dat zijn de beelden die in de toekomst in ons geheugen gegrift zullen staan.

„En het zal minder bepaald worden door de duur dan door de manier waaróp de pandemie zal eindigen. Ook dat is een bekend verschijnsel. Als iemands loopbaan op een nare manier eindigt – met een gedwongen ontslag bijvoorbeeld – dan denkt zo iemand niet: ik heb altijd met plezier gewerkt, behalve het laatste halfjaar. Nee, verbittering daarover kleurt de hele terugblik op een carrière. Als een huwelijk eindigt in een vechtscheiding maakt het vaak niet meer uit of je met iemand twintig of dertig jaar gelukkig bent geweest.

„Als de pandemie eindigt zoals we hopen – opeens zijn er krachtige vaccins, het virus dooft uit en de samenleving ontspant zich weer – dan zullen we wel onthouden hoe erg het was, maar vergeten hoelang we eronder geleden hebben.”

Hoe denkt u dat jonge mensen op deze periode zullen terugkijken?

„Ik ben acht jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog geboren. Toen ik zestien was vond ik dat een behoorlijk lange periode, maar nu ik eind zestig ben denk ik: eigenlijk was die oorlog toen nog maar net afgelopen. Met hun eigen leeftijd als maatstaf zullen de studenten van nu ook kijken. Je begint aan een studie van een jaar of vier, dus heb je nu al een heel jaar, een kwart, onder lullige omstandigheden moeten studeren.

„Bij de eerstejaars zag je elk jaar weer die enorm verwachtingsvolle sfeer: nú gaat het beginnen, nú worden we ingewijd in de wetenschap. Dat is nu grotendeels weg en zo’n begin kun je niet overdoen.

„Het geldt trouwens ook voor docenten: het sociale aspect van lesgeven is geërodeerd. Ik nam afscheid in september 2019, en inmiddels is een reeks collega’s afgezwaaid, maar in hun geval zonder symposium of afscheidsreceptie. Het is gewoon opgehouden.

„Mensen die gewoon zijn om zichzelf aan de praat te houden, zullen er navenant minder moeite mee hebben. Maar zelfs schrijvers – van wie je denkt: die zitten toch al thuis – hebben nu geen lezingen en optredens. Zij merken nu hoe hun bestaan daarmee verbonden was.”

Ziet uw leven er nu zo uit?

„Ik gaf zo’n drie lezingen per maand, waardoor ik buiten kwam en mensen ontmoette. Dat is weg. Ik moet overigens wel proberen het effect van de pandemie te scheiden van het met pensioen zijn. Ik had het idee: lekker veel reizen en alle tijd om te schrijven. Dat reizen gaat nu niet en bij het schrijven merk ik een verraderlijk gevoel: het kan morgen ook nog wel. Iets wat ik vroeger totaal niet had. Mijn productiviteit gaat niet omhoog nu ik meer tijd heb.”

Wie zichzelf aan de praat kan houden, heeft het minder zwaar

In zijn nieuwe boek behandelt Draaisma wanen, hallucinaties en illusies. Van de echte psychopathische gevallen, zoals de overtuiging dat je Christus bent, tot het soort illusies dat iedereen kan overkomen, zoals ‘rouwhallucinaties’, waarbij mensen die een partner verliezen deze nog een tijd denken te zien of op zolder horen rommelen.

Dat laatste is vaak vergeleken met fantoompijn (waarover hij ook schrijft): het gevoel dat een ontbrekend lichaamsdeel er nog is. Hij noemt het geval van iemand bij wie dertig jaar geleden de linkerarm is afgezet, maar die zijn arm nog steeds voelt alsof die wijd uitstaat, zo erg dat hij zijdelings door een deur gaat.

Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen
Foto’s Kees van de Veen

„Mensen die een partner verliezen, beschrijven het vaak in zulke termen: ‘alsof er een stuk van mij is verdwenen’. Of ‘afgerukt’.”

Bij dit boek gaat hij te werk zoals altijd. Hij bedenkt een vraag – Waarom ben je alles van vóór je derde vergeten? Wat zien blinden als ze dromen? Dromen we in kleur? – en verzamelt er historische en recente wetenschappelijke literatuur over, waarvan hij dan een aanstekelijke eigen tekst maakt. Waarom spreekt dit ons zo aan? „Omdat iedereen de verschijnselen die ik beschrijf wel herkent of er weleens over nadenkt”, denkt hij. En hij neemt meteen even de proef op de som.

„Oké, je kunt nu even niet op een woord komen. Daar zit dus een gat in je geheugen. Maar dat gat heeft wel een bepaalde vorm, want niet alle woorden passen erin en je weet vaak wel hoe het ongevéér klinkt. En dan kan het woord dat je zoekt zich ook nog eens verstoppen onder een woord dat er sprekend op lijkt maar waarvan je zeker weet dat dát het niet is. Stel, je kunt niet op de juridische term komen voor ‘een tijdelijk algeheel verbod’ en het woord waarachter het zich verschuilt is ‘mortuarium’. Wat is het woord dat je zoekt?”

Eh… haha, dit is verschrikkelijk.

„Ja, daar ben je in de aap gelogeerd. Het woord is natuurlijk ‘moratorium’. Dit verschijnsel – een woord dat ‘ervóór springt’ – staat trouwens bekend als ‘the ugly sister’. Je belt aan bij een leuk meisje maar haar lelijke zus doet open.”

Lees ook: Het liegende geheugen

Wanneer wist u dat u deze kant op wilde?

„Op de middelbare school. Ik was fan van essayist Rudy Kousbroek [die veel over het geheugen en psychologie heeft gepubliceerd]. Zo weergaloos wilde ik ook leren schrijven. Hij was echt een voorbeeld. Ik had vroeg het idee dat ik mijn onderwerp had gevonden. Psychologie, met name geheugenpsychologie, bleek me op het lijf geschreven. En het helpt om maar één ding goed te kunnen. Dan slijp je wat sneller een bedding uit waarin de dingen vaart krijgen. Dat is een zegen: geen keuzestress.

Werk hard, maar kies werk waarbij je denkt: dit ben ik

„Als studenten lang aarzelen over bijvoorbeeld een scriptieonderwerp, vertel ik graag over Théodore Flournoy, een Zwitserse geleerde uit de negentiende eeuw, die zat te tobben over zijn verdere carrière: moest hij een laboratorium stichten en kiezen voor een loopbaan in de experimentele psychologie, of toch voor de filosofie kiezen? Dan schrijft een vriend, de Amerikaanse psycholoog William James, hem een brief waarin hij zegt: ‘Ik kan niet voor jou kiezen, maar in het leven van ieder mens zijn er momenten waarop je hard werkt en de tijd vliegt en op een gegeven moment ga je even achterover zitten, slaak je een zucht van welbehagen en denk je: ja, dit ben ik. Dit is mijn identiteit en dit wil ik. En dat gevoel kan je nooit bedriegen. Probeer in je leven zoveel mogelijk van zulke momenten te hebben.’

„Dat heb ik me ter harte genomen. Ik heb altijd geprobeerd mijn leven zo in te richten, een baan zoeken waar je betaald wordt om zo vaak mogelijk zulke ervaringen te hebben.”

Geeft dat u rust?

Foto Kees van de Veen

„Ja, want van dat harde werk word je niet moe. Of wel moe, maar voldaan moe. Ik zorgde ervoor dat ik ’s ochtends zo min mogelijk gestoord werd, want dat is mijn beste tijd. ’s Middags deed ik dan vergaderingen en dergelijke. Als je je tijd kunt afstemmen op je bioritme kun je in een halve dag ontzettend veel doen.”

Stem je tijd af op je bioritme, dan kun je veel doen in een dag

Heeft u weleens writer’s block?

„In mijn nieuwe boek schrijf ik over body integrity identity disorder. BIID is als het ware het omgekeerde van fantoomervaringen: het gevoel dat een lichaamsdeel niet als eigen voelt. Mensen willen dat kwijt, soms een voet, soms een onderbeen of een heel been.

„Daar heb ik een hoofdstuk over geschreven, en aan het eind ervan moet het gaan over de neurologische verklaringen voor dat verschijnsel. En die zijn nog heel tastend en diffuus en weinig overtuigend en ik kom er maar niet toe om die paragraaf te schrijven, omdat dat hoofdstuk dan óók zo diffuus eindigt.”

Maar de oplossing kan alleen van nieuw onderzoek komen en daar moet u op wachten.

„Dat is zo, maar het is frustrerend om de verklaring in het midden te moeten laten. Bij fantoomverschijnselen is lang gedacht dat het zou liggen aan littekenvorming in het snijvlak. Terwijl nu is aangetoond dat het komt door veranderingen in het hersengebied dat bij dat lichaamsdeel hoorde. Een bevredigende verklaring.”

Denkt u dat mensen in deze tijd steun zoeken bij mooie herinneringen?

„Dat hangt ervan af. Als je iemand hebt verloren, kan het oproepen van mooie herinneringen juist heel pijnlijk zijn, het confronteert je met wat je hebt verloren. Terwijl je ook zou kunnen verwachten dat je denkt: dat moois hebben we tenminste nog samen beleefd.

„Marten Toonder heeft er aangrijpend over geschreven, als hij weer eens een brief kreeg van iemand om hem te troosten na het overlijden van zijn vrouw. Gelukkige herinneringen kunnen ongelukkig maken.

„Ik zie wel veel heimwee naar de tijd dat je elkaar nog kon aanraken. Op de tv zie je het meteen: o, dit was voor corona. Ik hoop dat het eindig is, de afstandelijkheid die we nu in acht moeten nemen.”