Opinie

NRC volgde de Amerikaanse methode met #MeToo – maar niet helemaal

De ombudsman

Een van de meer troosteloze details in het verpletterende NRC-onderzoek naar het wangedrag van een Nederlandse kunstenaar was deze korte, zakelijke mededeling in een begeleidend kader: „De moeder van Andeweg reageert niet op contactverzoeken.”

Zijn moeder! Ach, mensen toch. Ja, de vrouw speelt een rol in het artikel en ook haar moest dus wederhoor worden geboden. Maar het zinnetje gaf me koude rillingen in een verhaal dat toch al een sterke maag vereist.

Het tekent intussen de grondige aanpak van verslaggevers Carola Houtekamer en Lucette ter Borg. Zij waren maanden met dit onderzoek bezig, spraken tientallen mensen en verzamelden een lading documentatie. Dat moest ook wel, want zoals de krant uitlegde gaat het om „gebeurtenissen tussen twee mensen waarbij in veel gevallen geen getuigen aanwezig waren”. Hét probleem van zaken rond seksueel geweld.

Verificatie en documentatie zijn dan journalistieke vereisten. Vandaar dat de verslaggevers tientallen bronnen spraken, maar ook dagboekfragmenten verzamelden, „foto’s, filmpjes, belgegevens van telecomproviders, apps, mails, chatconversaties en berichten via sociale media”. Ze volgden daarmee bewust de standaard die twee verslaggevers van The New York Times in 2017 in de zaak-Weinstein voor #MeToo-onderzoek zetten. Jodi Kantor en Megan Twohey beschreven hun methode in She Said (2019), een boek dat kan dienen als gids.

Dat zich dat uitbetaalt, blijkt uit de reacties op het artikel, dat insloeg als een bom en Justitie tot actie aanspoorde. Maar #MeToo-onderzoek ligt gevoelig, en ook dit keer reageerden enkele lezers kritisch. Over de omvang van het stuk (zes volle pagina’s) en het „maatschappelijk belang” ervan. De meeste lezers zullen nooit van deze kunstenaar hebben gehoord.

Eerst die vraag naar de proportionaliteit van het artikel. Inderdaad, het was véél. Dit was veruit het omvangrijkste onderzoek dat NRC publiceerde over één casus (7.945 woorden). Eerdere waren iets korter, zoals dat over de Amsterdamse hoogleraar die de krant van de rechter eerst niet en toen wel mocht noemen (6.321 woorden) of veel korter, te weten die over een ‘aanrakerige’ Amsterdamse docent (5.090 woorden) en een in opspraak geraakte prominente oncoloog (1.718 woorden). Er zit dus een stijgende lijn in.

Daar zijn verschillende verklaringen voor. Omdat #MeToo-aantijgingen notoir ingewikkeld te bewijzen zijn, moet zo’n verhaal het hebben van een mate van feitelijkheid en detail die ongemakkelijk is om te lezen, maar die nodig is om het relaas zo betrouwbaar mogelijk te maken. Vage aantijgingen zijn niet publicabel.

En dan natuurlijk de ernst van de zaak zelf. Bij de oncoloog ging het om één slachtoffer dat zich uitsprak, bij de docent met zijn foute grappen om zes (oud-)studenten, bij de Amsterdamse hoogleraar sprak de krant met 35 „betrokkenen”. Dit onderzoek spant ook in dat opzicht de kroon, met tachtig bronnen en twintig slachtoffers. Verschillende vrouwen deden aangifte – tevergeefs.

Met dat laatste komt het ‘maatschappelijke belang’ van het verhaal in zicht. Dit is een verhaal over een jarenlange misstand die vergeefs bij de autoriteiten werd aangekaart. Een dergelijke, voortdurende misstand onthullen hoort bij de publieke taak van journalistiek. In de eerdere zaken gold: de oncoloog was opgestapt, de hoogleraar gedwongen te vertrekken – al was er ook in die zaken genoeg uit te zoeken.

Er blijft wel een opvallend verschil met de Amerikaanse aanpak. In hun boek doen Kantor en Twohey ook verslag van de maandenlange moeite die ze deden om vrouwen te bewegen on the record te gaan, dus zich onder naam uit te spreken. In de zaak tegen Bill Cosby lieten 35 (!) vrouwen zich op de cover van het blad New York zetten. Conform een tweet die in het boek van het duo wordt aangehaald, dat slachtoffers om eindelijk serieus genomen te worden, „elkaars handen zullen moeten vasthouden en springen”.

Dat is in de Nederlandse #MeToo-berichtgeving eerder uitzondering dan regel. In geen van de NRC-stukken (de oncoloog, de hoogleraar, de docent, en nu de kunstenaar) traden slachtoffers onder naam naar buiten. Waarom niet? Niet alleen is dat pijnlijk en vernederend, in tijden van sociale media is het ook bloedlink. Bij dit onderzoek koos de krant er bewust voor alle vrouwen te anonimiseren om hen te beschermen, gezien het gewelddadige karakter van hun belager. Toch, je zou hopen dat ook zulke anonimiteit-uit-lijfsbehoud een keer kan worden doorbroken.

Overigens, er is nog een breder cultureel punt dat om uitdieping vraagt. De val van deze kunstenaar, met zijn satanisme, rassentheorieën en „rock-n-roll” imago lijkt ook een breuk met de viering van grensoverschrijdend gedrag sinds de libertijnse jaren zestig en zeventig. Ach ja, die Herman – om een echte rock-bohémien te noemen die een nationaal knuffeldier werd, zoals de nieuwsanalyse van NRC Handelsblad bij zijn dood vaststelde. Is die tijd voorbij?

Een laatste kanttekening. Is dit nu de „Harvey Weinstein van de kunstwereld”? In het stuk speelt die omschrijving, door een van de slachtoffers, maar een marginale rol. Maar de catchphrase dook wel meteen op bij andere media, van De Telegraaf tot Misdaadenzo.

De vergelijking, zegt een van de verslaggevers, gaat deels op omdat de man eenzelfde manier van optreden had: intimideren, isoleren, bedreigen. Maar het verschil blijft dat hij geen tycoon of magnaat was die in ruil voor seks banen en posities te verdelen had en carrières kon maken of breken. Terecht dus dat de krant die omschrijving niet herhaalde of promoveerde tot kop. Want hoe noemen we dan de volgende, machtige dader die wordt betrapt?

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.