Schilderij (1943) van Willem Hofker. Hij heeft zijn favoriete Balinese model een licht Japanse gezichtsuitdrukking gegeven. Japanse officieren betaalden Hofker bodemprijzen voor zulke doeken. Dit doek dook in 2015 op bij Sotheby’s Hongkong, waar het 200.000 euro opbracht.

Foto Erven Willem Gerard Hofker, c/o Pictoright Amsterdam.

‘Laat Indonesië ook roofkunst afstaan’

Interview | Louis Zweers In de nadagen van Nederlands-Indië is op grote schaal cultureel erfgoed van Nederlandse ingezetenen en Indische Nederlanders gestolen. Eerst door de Japanners, later ook door Indonesiërs. Historicus Louis Zweers spreekt van „systematische plundering”.

Zijn boek verschijnt op een bijzonder moment, constateert historicus Louis Zweers. Buit. De roof van Nederlands-Indisch cultureel erfgoed, 1942-1950 ligt vanaf dinsdag in de winkel, een maand na de publicatie van het opzienbarende advies van de Raad voor Cultuur, over de teruggave van koloniale roofkunst in Nederlandse rijksmusea.

Buit is een studie over een nauwelijks onderzocht aspect van de geschiedenis van de oudste Nederlandse kolonie. Een verrassende publicatie waarin de rollen voor een keer zijn omgedraaid: met (Indische) Nederlanders als slachtoffers en Japanners en Indonesiërs als daders.

Zweers openbaart dat in de nadagen van Nederlands-Indië ook op grote schaal cultureel erfgoed is gestolen van Nederlandse ingezetenen, Indische Nederlanders en Nederlands-Indische staatsinstellingen. Eerst door het totalitaire Japanse regime dat het land in de Tweede Wereldoorlog bezette en de huizen en huisraad van tienduizenden Nederlanders confisqueerde, en na het vertrek van de Japanners óók door Indonesiërs. In de chaotische periode direct na de Japanse capitulatie trokken losgeslagen Indonesische milities rampokkend (plunderend) rond. En ook tijdens de daaropvolgende onafhankelijkheidsoorlog is er het nodige gestolen of onder dwang afhandig gemaakt van Nederlanders en van Indo’s, de Indische Nederlanders van gemengd bloed.

Verscheepte collecties

De culturele roofpraktijken, de vaak moeizame restitutie en het stroperige naoorlogse rechtsherstel, het was nog nauwelijks onderzocht, stelt Zweers, die een reeks boeken over Nederlands-Indië publiceerde. Hij deed vijf jaar onderzoek, ook in Indonesië, en beschrijft de lotgevallen van enige tientallen Nederlandse kunstenaars, kunsthandelaren en kunstverzamelaars die hun kostbaarheden kwijtraakten. Ook onthult de historicus hoe de Japanse autoriteiten een deel van de wetenschappelijke museale collecties vanuit Batavia naar Japan verscheepten, met lak aan internationale oorlogsverdragen.

In verreweg de meeste gevallen zijn de verdwenen cultuurgoederen – schilderijen, juwelen, Chinees porselein, Javaanse krissen, boeken – onmogelijk nog te traceren, concludeert Zweers in zijn boek. Ze zijn verdwenen, omgesmolten of op de zwarte markt in Indonesië en Japan beland. Als gedupeerden al wisten te achterhalen waar hun bezittingen waren, konden ze vaak niet aan de strenge restitutie-eisen voldoen. Ze raakten immers meestal hun complete huisraad kwijt, en dus ook de vereiste documenten om hun gestolen kostbaarheden te kunnen claimen.

Nederlandse kolonialen hebben sinds de zeventiende eeuw talloze cultuurgoederen uit Nederlands-Indië gehaald. Alleen in de Nederlandse rijkscollectie zitten 172.000 objecten uit de voormalige kolonie. Sommige gekocht, geruild en cadeau gekregen, andere onder dwang verkocht of gestolen. Begin oktober adviseerde de Raad voor Cultuur om buitgemaakte goederen onvoorwaardelijk terug te geven als de voormalige koloniën daarom verzoeken. Een op te richten onderzoeksinstituut moet volgens het advies zogenoemd herkomst-onderzoek gaan doen. Van zo’n 10 procent van de collectiestukken uit Nederlands-Indië wordt vermoed dat ze onder roofkunst vallen.

Batavia, 1942. Een Japanse bureaucraat poseert in de salon van een geconfisqueerde villa in de wijk Menteng. De inboedel is van de Nederlandse huiseigenaar die door de bezetter is geïnterneerd.Foto Nationaal Archief Den Haag.

‘Erotisch Panorama Mesdag’

In de Nederlandse staatscollectie is aanzienlijk meer roofkunst aan te wijzen dan in die van Indonesië. Neemt niet weg, schrijft Zweers, dat met Indonesië best wel iets te ruilen valt. Bijvoorbeeld zes van kunstenaar Willem Hofker gestolen schilderijen en pastels. Deze portretten van halfnaakte Balinese vrouwen (huidige waarde 1,5 miljoen euro) verdwenen tijdens de oorlog uit een opslagplaats bij Jakarta. De kunstwerken doken in de jaren vijftig op in de privé-collectie van president Soekarno. Het eerste staatshoofd van de Republiek Indonesië had de kunstwerken een plek gegeven in zijn „erotisch Panorama Mesdag”, zoals een rondgeleide journalist de verzameling eens omschreef.

Hofker stelde het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in 1959 op de hoogte, maar vanwege de moeizame diplomatieke relatie tussen beide landen zag de kunstenaar destijds af van een restitutieverzoek.

Het is een van de vele opmerkelijke verhalen in Buit.

Waarom is de roof van cultureel erfgoed in de nadagen van Nederlands-Indië nauwelijks onderzocht?

Louis Zweers: „Het heeft me altijd verbaasd dat over de rol van Japan als kunstrover tijdens de Tweede Wereldoorlog zo weinig is gepubliceerd. Onderzoekers die zich met nazi-roofkunst bezighielden, konden gebruikmaken van vele bewaard gebleven archieven. Dat hebben de Japanners weten te voorkomen. Een dag na de capitulatie verzonden de Japanse ministeries van Defensie en Marine berichten aan de commandanten te velde om alle archieven te vernietigen die betrekking hadden op gruweldaden, roof en plundering. Er zijn dus geen inventarislijsten meer van in beslag genomen goederen.

„En documentatie over wat de Nederlandse ingezetenen bezaten, ontbreekt eveneens. Toen de geïnterneerde Nederlanders uit de Jappenkampen kwamen, waren zij alles kwijt. Als hun huisraad en andere bezittingen niet door de Japanners waren gestolen, dan later wel door Indonesiërs. Direct na de Japanse capitulatie ontstond een machtsvacuüm in Nederlands-Indië. In die zogenoemde Bersiap-periode haalden Indonesische milities de pakhuizen leeg waar de resterende bezittingen van Nederlandse particulieren opgeslagen lagen. Omdat de Nederlandse ingezetenen ook geen foto’s of aankoopnota’s meer hadden, is het lastig vast te stellen wat van hen is gestolen. En nog iets: voor westerse onderzoekers speelt vermoedelijk ook mee dat Azië ver weg is.”

U beschrijft de lotgevallen van enige tientallen kunstenaars en andere particulieren. Maar Nederlands-Indië telde in 1942 ruim 100.000 Nederlandse ingezetenen waarvan de huizen en bezittingen zijn geconfisqueerd. Een raming van het totale aantal verdwenen kostbaarheden is dus lastig te maken?

„Wat ik in mijn boek beschrijf aan gestolen cultuurgoederen is inderdaad slechts het topje van de ijsberg. Er zijn zoveel meer families berooid uit Indonesië teruggekeerd. Velen waren destijds te uitgeput om zich druk te maken over hun verloren gegane kunstwerken. Mogelijk leidt mijn boek er toe dat er nieuwe informatie naar boven komt. Foto’s en documenten kunnen aanknopingspunten voor onderzoek bieden naar nog niet-geclaimde kunstwerken.

Schilderij (1940) van Willem Hofker uit de Indonesische staatscollectie. Het werd samen met vijf andere werken van Hofker tijdens de Japanse bezetting gestolen. Later dook het op in de collectie van president Soekarno. Foto uit besproken boek, © Erven Willem Gerard Hofker, c/o Pictoright Amsterdam

„Het gaat niet alleen om beroofde etnische Nederlanders. Direct na de Japanse capitulatie zijn ook vele van de circa 200.000 Indische Nederlanders door het drastische optreden van de pemuda’s, de jonge Indonesische strijders, van vrijwel al hun eigendommen beroofd. Van de Nederlandse ingezetenen is naar schatting 90 procent alles kwijtgeraakt. Waardevolle in beslag genomen spullen werden verkocht op veilingen in Nederlands-Indië. Dat gebeurde door de oorlogsomstandigheden tegen bodemprijzen, gemiddeld zo’n 5 procent van de waarde. Goud, diamanten en andere zeer waardevolle voorwerpen werden direct naar Japan overgebracht. Veel gestolen eigendommen zijn op de zwarte markt terechtgekomen. Of na de capitulatie meegenomen. Honderdduizenden Japanse militairen en burgers kwamen zonder bagage naar Nederlands-Indië. Toen ze in 1946 vertrokken, deden ze dat bepakt en bezakt, is op foto’s te zien. Wat zat er in die rugzakken?”

Zijn er veel gestolen Nederlandse cultuurgoederen in Japans bezit aan te wijzen?

„Nee. Het Amerikaanse leger heeft net als in Europa in 1946 zogenoemde Monuments Men naar Japan gestuurd om gestolen cultuurgoederen op te sporen. Die militairen werden door de Japanners op vele manieren tegengewerkt. In Europa is door Monuments Men veel nazi-roofkunst opgespoord, in Japan is heel weinig uit Azië geroofde kunst getraceerd. En toen begin jaren vijftig internationaal geprobeerd werd strenge oorlogsschadeclaims aan de Japanners op te leggen, verzetten de Amerikanen zich. De voormalige vijand was voor de VS een strategische bondgenoot geworden in de strijd tegen het communisme.”

U stelt dus een tragisch probleem aan de orde: een kwestie waar op de keper beschouwd weinig aan te doen is?

„Op een aantal belangrijke uitzonderingen na is dat inderdaad zo.”

Als wij nu roofkunst gaan teruggeven, waarom zouden we gestolen kunstwerken in de Indonesische staatscollectie dan niet opeisen?

Louis Zweers kunsthistoricus

Een van die uitzonderingen betreft zes kostbare gestolen kunstwerken van de Nederlandse schilder Willem Hofker. Indonesië, schrijft u, heeft een morele verplichting deze kunstwerken over te dragen aan de nazaten van Hofker. Wellicht is het een optie, stelt u voor, om tot een uitwisseling van kunstwerken te komen. Dat meent u serieus?

„Als wij nu roofkunst gaan teruggeven, waarom zouden we gestolen kunstwerken in de Indonesische staatscollectie dan niet opeisen? In het verleden hebben meer van deze soorten uitruil tussen landen plaatsgevonden.”

Maar Nederlanders hebben toch veel meer geroofd?

„Uiteraard is de roof gedurende 350 jaar koloniale overheersing van een andere omvang dan wat na 1942 van Indische Nederlanders is gestolen. Toch zou het een aardig gebaar zijn als ook Indonesië roofkunst afstaat. Overigens heeft Nederland eind 1949 al honderdduizenden cultuurvoorwerpen overgedragen. Dat ging om de culturele en wetenschappelijke instellingen in Indonesië. Die werden conform internationale afspraken met de nog aanwezige collecties, bibliotheken en archieven aan het land overgedragen.”

U deed onderzoek voor uw boek in Indonesië. Hoe keek men tegen uw onderzoek aan?

„Ik heb steeds aangegeven onderzoek te doen naar het lot van cultuurgoederen in oorlogstijd. Een beetje neutraal, zodat ik in de archieven kon werken. Ja, het zou kunnen dat mijn boek in Indonesië met gemengde gevoelens wordt ontvangen. Ik hoop dat mijn boek duidelijk maakt dat zowel tijdens de Japanse bezetting als in de Bersiap-periode sprake was van systematische plundering van vooral particuliere eigendommen. Dat is geschiedenis, en net als onze koloniale roofpraktijken geen fijn verhaal. Maar als historicus is het je taak om ongeschreven geschiedenissen te vertellen.”

Louis Zweers: Buit. De roof van Nederlands-Indisch cultureel erfgoed, 1942-1950. Boom, 304 blz., €29,90 (verschijnt op 10 november)