Recensie

Recensie

De samenvoegmachine van alle zinnen ter wereld

Taalwetenschap Volgens taalwetenschapper Noam Chomsky wordt iedereen geboren met de basisprincipes van grammatica kant-en-klaar in het hoofd.

Een kat kan denken: koelkastgeluid, dus eten.
Een kat kan denken: koelkastgeluid, dus eten. Foto Getty Images

Zou het kunnen dat als je ‘Wat zie je?’ zegt, je daarvoor eerst in je hoofd de zinsstructuur ‘Wat zie je wat zie?’ hebt gemaakt?

Volgens Hedde Zeijlstra, een Nederlandse taalwetenschapper die in Göttingen werkt, is dat goed denkbaar. Hij legt het uit in De geniale eenvoud van taal, een zeer leesbaar publieksboek over de ideeën van de inmiddels 91-jarige taalwetenschapper Noam Chomsky.

Die ideeën gaan vooral over de zinsbouw. Chomsky en de honderden taalwetenschappers die zijn ideeën omarmd hebben, zoeken al zestig jaar naar een antwoord op de vraag: hoe werkt het ‘machientje’ dat in ons hoofd razendsnel de meest uiteenlopende zinnen in elkaar zet?

Volgens Chomsky draait dat machientje op heel eenvoudige abstracte principes, die voor alle talen hetzelfde zijn. Daar kun je je iets bij voorstellen: talen zijn heel verschillend en toch lijken ze ook op elkaar. Je merkt het bijvoorbeeld als je een nieuwe taal leert.

Chomsky werd in de jaren zestig beroemd met zijn stelling dat de mens geboren wordt met de abstracte basisprincipes van de grammatica kant-en-klaar in het hoofd. Dat zou verklaren waarom kinderen zo snel een taal kunnen leren. Het is alsof ze al heel veel weten over taal, alsof het leren van een specifieke taal, met al zijn specifieke regeltjes, een invuloefening is.

Taal bestaat nog maar heel kort: 200.000 jaar. Evolutionair is dat helemaal niets

Later kwam daar een tweede gedachte bij: die basisprincipes moeten uiterst simpel zijn. Want taal bestaat nog maar heel kort: 200.000 jaar. Evolutionair is dat helemaal niets. Er moet dus opeens, misschien wel min of meer per ongeluk, iets relatief simpels ontstaan zijn dat de ontwikkeling van taal in werking heeft gezet.

Er zijn dieren die klanken kunnen combineren tot grotere gehelen. Er zijn ook dieren die conceptueel kunnen denken: een kat die het geluid van de koelkast hoort, kan denken: koelkastgeluid, dus eten. Maar er zijn geen dieren die dergelijke gedachten expliciet kunnen uiten, in de vorm van zinnen of iets wat daarop lijkt.

De mens kan dat wel, volgens Chomsky dankzij iets wat hij ‘merge’ noemt. Zeijlstra noemt dat de ‘samenvoegregel’. Het zinsbouwmachientje zou een samenvoegmachientje zijn: het voegt telkens twee elementen (woorden of zinsdelen) bij elkaar en zo bouwt het zinnen.

Dat uitgangspunt levert fascinerende zinsanalyses op. Hoe komt bijvoorbeeld het schijnbaar eenvoudige zinnetje ‘Wat zie je?’ tot stand? Volgens Zeijlstra zou dat als volgt in zijn werk kunnen gaan. Je voegt ‘wat’ en ‘zie’ samen tot ‘wat zie’. Daarna voeg je ‘je’ en ‘wat zie’ samen tot ‘je wat zie’ (of eigenlijk: ‘je + (wat + zie)’). Daarna voeg je er nogmaals, voor de tweede keer dus, ‘zie’ aan toe: ‘zie je wat zie’. Tot slot voeg je er nogmaals ‘wat’ aan toe: ‘wat zie je wat zie’. En nu kun je de zin uitspreken, waarbij je ieder woord maar één keer mag uitspreken. De onderliggende structuur van de zin ziet er eigenlijk zo uit: ‘wat + (zie + (je + (wat + zie)))’. Alleen de ‘wat’ en ‘zie’ die ‘het hoogst in de structuur zitten’ worden uiteindelijk uitgesproken. Dat resulteert in de zin ‘Wat zie je?’

Sceptische taalwetenschappers

In de taalwetenschap is een deel van de beoefenaars enthousiast over dit soort zinsanalyses. In Nederland zijn er minstens vier hoogleraren die vrijwel uitsluitend binnen deze theorie opereren. Maar heel veel taalwetenschappers zijn er sceptisch over of zelfs uitgesproken negatief.

De uitgangspunten van het samenvoegprincipe mogen dan eenvoudig zijn, zodra je het gaat toepassen op allerlei zinnen in allerlei talen, wordt het al snel heel ingewikkeld, of zelfs gekunsteld. Dat taal van een ‘geniale eenvoud’ is, zoals de titel van het boek suggereert, is voorlopig nog een hypothese. Het definitieve bewijs is er pas als je alle zinnen in alle talen op deze manier overtuigend kunt analyseren. Zover is het nog lang niet.

Zeijlstra besteedt ook, zij het summier, aandacht aan de mensen die hier niks in zien. Die proberen wat veel of weinig voorkomt in de zinsbouw van talen op een heel andere manier te verklaren: alle mensen worden geboren met dezelfde cognitieve vermogens (hoe we waarnemen, hoe we denken en hoe we communiceren). De vorm van taal zou dus ook heel goed een weerspiegeling kunnen zijn van cognitie, communicatie en, als derde, cultuur.

En passant gaat het boek ook nog over andere aspecten: bijvoorbeeld in welke stapjes een kind de grammatica van taal ‘ontdekt’, hoe het kan dat talen veranderen en waarom er duizenden talen zijn. Dat is vreselijk onhandig. Waarom spreken we niet allemaal dezelfde taal?