Als de leraar over de profeet begint ‘gaan de handen voor de oren’

Bedreigde leraar Klassikaal praten over de vrijheid van meningsuiting is niet meer zo vanzelfsprekend. „Onderwijzers zoeken verbinding. Het is moeilijk om te zien dat dat niet meer lukt.”

Een docent van het Emmauscollege in Rotterdam besloot deze week onder te duiken na bedreigingen.
Een docent van het Emmauscollege in Rotterdam besloot deze week onder te duiken na bedreigingen. Foto ANP

Als Samira Bouchibti cartoons bespreekt in een klas, doet ze zich voor als een tekenaar. Ze beschrijft wat ze tekent: „De profeet.. in zijn blote billen… met een bom op zijn hoofd.” Op dat moment zitten de leerlingen al met hun handen over hun oren. De profeet tekenen, is voor veel islamitische leerlingen onbespreekbaar, zegt oud-Kamerlid Bouchibti, die op scholen door heel Nederland gastlessen verzorgt over burgerschap. „Ze kunnen werkelijk gekwetst reageren. Juf, vragen ze, waarom tekenen ze dit? Waarom willen ze ons zo vernederen?”

Deze week dook een docent van het Rotterdamse Emmauscollege onder. Bij de docent hing een spotprent in de klas over de aanslag op het Franse satireblad Charlie Hebdo. Hij werd bedreigd nadat leerlingen een foto daarvan op Instagram hadden gezet. Een 18-jarige vrouw werd vrijdag aangehouden door de politie.

Maandag herdacht de havo- en vwo-school de Franse docent Samuel Paty, die werd vermoord omdat hij een spotprent van profeet Mohammed toonde tijdens een les. Ook op andere scholen werd de moord op Paty maandag herdacht, op verzoek van onderwijsministers Arie Slob en Ingrid van Engelshoven. Op in elk geval een andere school, het ds. Pierson College in Den Bosch, leidde dat tot bedreigingen aan het adres van de docent maatschappijleer.

„Het is volstrekt onacceptabel dat de veiligheid van leraren onder druk komt te staan omdat zij de waarde van het vrije woord overbrengen”, schrijven Slob en Van Engelhoven woensdag in een reactie. Ook Tweede Kamerleden spraken hun verontwaardiging uit over de gebeurtenissen van deze week.

Maar in de praktijk is klassikaal discussiëren over onderwerpen als radicalisering en vrijheid van meningsuiting al veel langer niet meer zo vanzelfsprekend.

De toegenomen polarisatie in de maatschappij is het klaslokaal binnengesijpeld, zegt Karim Amghar, docent omgangskunde op een mbo in Rotterdam. „De samenleving is uit elkaar gedreven en dat zien we terug in de klas.”

Amghar traint leraren hoe zij het gesprek kunnen voeren over radicalisering en andere heikele onderwerpen. Op scholen komen docenten veel vreemdelingenhaat tegen, maar bijvoorbeeld in het Utrechtse Kanaleneiland gaat het juist over haat tegen het Westen, hoort hij. Wat opvalt: de twee uitersten liggen verder van elkaar dan ooit.

Sinds de gebeurtenissen in Frankrijk en Rotterdam krijgt Amghar veel mails van bezorgde docenten. Hij leest er één voor. Een vrouw uit Utrecht schrijft dat ze zich „als docent” geroepen voelt om de polarisatie bespreekbaar te maken, maar dat ze dat „als privépersoon” niet meer durft. Haar school wilde maandag stilstaan bij de moord op Paty, maar besloot het uiteindelijk toch niet in de klassen te bespreken. Te link. De vlag ging wel halfstok. „Dat raakt me”, zegt Amghar. „Onderwijzers zoeken verbinding. Het is moeilijk om te zien dat dat niet meer lukt.”

Voor een Amsterdamse hogeschool is het reden om helemaal niet meer in de klas te praten over cartoons, zegt een docent van die school die anoniem wil blijven uit angst voor bedreigingen. „Wij moeten een vak geven over botsende grondrechten. De helft van de collega’s zei tijdens een teamvergadering: wij gaan het niet hebben over spotprenten in relatie tot de vrijheid van meningsuiting. Dat is echt een no go. De helft van de studenten is islamitisch. Er is veel angst”, zegt hij.

Door de aanslag in Frankrijk, maar hij wijst ook op een petitie die nu bijna een week online staat en waarin wordt gepleit om het beledigen van de profeet strafbaar te stellen. Meer dan honderdduizend mensen hebben de petitie ondertekend. „Als je je realiseert dat er zo’n massa is met zulke ideeën, dan denk je als docent: ik hou mijn mond maar.”

Homoseksualiteit en Palestina

Er bestaat onder docenten huiver om gevoelige thema’s aan te snijden, zegt ook burgerschapsdocente Samira Bouchibti. „Veel docenten willen het wel: praten over thema’s als homoseksualiteit of Palestina. Maar in de praktijk leidt het tot zoveel chaos – leerlingen die elkaar gaan uitschelden of aanvallen – dat een docent al snel denkt: waar ben ik aan begonnen?”

Toch is het volgens Bouchibti essentieel om gepolariseerde thema’s in de klas te bespreken. „Om kinderen maatschappelijk weerbaar te maken. Ze moéten leren hoe je omgaat met tegenovergestelde meningen. Thuis leren ze het niet, daar horen ze vaak alleen maar dat Nederland tegen de islam is. Het onderwijs is onze enige kans.” Het gaat er niet om leerlingen een bepaalde mening op te dringen, zegt ze. „Als zij vinden dat cartoons niet kunnen: prima. Maar je moet ze wel uitdagen om erover na te denken, en hoe je omgaat met mensen die iets anders vinden.”

Vaak hoort ze leerlingen begrip opbrengen voor bijvoorbeeld terroristische daden. Zoals na de aanslagen op Charlie Hebdo: de tekenaars hadden het daar zelf naar gemaakt door de profeet te beschimpen. „Maar als je dan doorvraagt, komen ze daar snel op terug”, zegt Bouchtibti. „Ik vraag bijvoorbeeld: een tekening, rechtvaardigt dat nou het doden van een mens? Stel nou dat ík die cartoon heb gemaakt? Moet ik dan dood? Dat vinden ze wél erg. Dan zeggen ze: juf, ik twijfel ook, het is eigenlijk helemaal niet goed hè?”

„Jongeren die docenten bedreigen, moeten we hard aanpakken, maar laten we ook aan preventie doen”, zegt Halil Karaaslan, die tot voor kort zelf voor de klas stond maar nu vooral andere docenten traint. „Politici hebben nu de mond vol over vrijheid van meningsuiting in het klaslokaal, maar dan moeten we onze leerlingen wél serieus leren hoe ze moeten omgaan met democratie.”

Daar schort het aan, zegt hij, wijzend op een internationaal onderzoek van de International Civic and Citizenship Education Study uit 2017 naar burgerschap onder leerlingen in het voortgezet onderwijs, waarvan het Nederlandse deel werd uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam en het Kohnstamm Instituut. Conclusie: Nederland doet weinig aan burgerschapsonderwijs in vergelijking met andere landen. En Nederlandse jongeren weten minder over democratie dan leeftijdgenoten in vergelijkbare landen.

Ook de onderwijsinspectie deed in februari onderzoek naar burgerschapsonderwijs en concludeerde dat er scholen zijn „waar de uitvoering van de burgerschapsopdracht op een belangrijk onderdeel zeer dun is”. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid, worden hier „weinig of niet actief bevorderd”. Op sommige scholen is dat extra problematisch, schrijft de inspectie, omdat „leerlingen vaak uitingen doen die in strijd zijn met basiswaarden, terwijl de school daarmee weinig of niets doet”.

‘Roddelen’

Trudy Coenen besprak „álles” met haar leerlingen. „Van homoseksualiteit tot antisemitisme, van etnisch profileren tot Pegida en van spotprenten tot de mocro-maffia”. Deze zomer ging ze met pensioen. Ze werkte 42 jaar op middelbare scholen in Amsterdam – de laatste 26 jaar op een vmbo in Oost waar zestig nationaliteiten op zitten.

Elke les begon Coenen, die Nederlands gaf, met een kwartier ‘roddelen’. „Dan mochten ze álles zeggen wat ze wilden. In alle vrijheid. Op een goed moment noemden ze burgemeester Aboutaleb een ‘hond’ omdat hij een barbecue met varkensvlees voor een moskee door extreemrechtse actievoerders toeliet. Ik vroeg waarom ze dat vonden. Omdat ze dat thuis hadden gehoord.”

Je moet altijd fatsoenlijk blijven, en niemand expres beledigen, vindt Coenen, maar cartoons niet tonen uit respect voor culturele of religieuze gevoeligheden? „Dat is geen respect, dat is gewoon slapheid. Angst. Het echte gesprek uit de weg gaan. Als je het gesprek met leerlingen aangaat, dan heb je respect en dan lukt het ook.”

Hoe deed zij dat dan? „Ik bouwde een band op met de leerlingen én met hun ouders. Aan het begin van het schooljaar zei ik tegen elk kind: ‘Stuur je moeder langs alsjeblieft’. ‘Maar die spreekt weinig Nederlands juf.’ ‘Geeft niet’, zei ik, ‘ik ben ook moeder, moeders begrijpen elkaar’. Ze vertrouwden mij. Als ze te laat kwamen, belde ik hun ouders. Als er onenigheid was, ook.”

Lees ook over Frankrijk: ‘Veel leraren zijn huiverig om het debat aan te gaan’

Coenen ging met haar leerlingen naar Auschwitz, naar Londen, Parijs, het strand. „Als ik naar bange leraren had geluisterd, was ik nooit gegaan. Maar het was altijd geweldig. De één zat in boerkini op het strand, de ander in zo’n mini bikini. Achteraf zeiden de leerlingen: ‘Dankuwel juf, dit waren de mooiste dagen van mijn leven’.”

Als sommige jongens vervelend deden, en ze had al twee keer gewaarschuwd: ‘Als je zo doorgaat, bel ik je vader hoor’, dan deed ze dat de derde keer echt. ‘Maar dan krijg ik een pak slaag, juf!’, zeiden ze. Dan zei ik: ‘Dat weet ik, maar als je drie keer niet luistert, vraag je erom.”

Coenen schaamt zich voor scholen en collega’s die de leraar in Rotterdam niet openlijk steunen. „Ik vind dat elke leraar nu een Hebdo-poster moet ophangen, gewoon om te laten zien dat je in Nederland alles mag zeggen.”

Een hoop wrok

Hermen Schotanus gaf als leraar maatschappijleer in Rotterdam les na de aanslagen in Brussel en Parijs. Sommige leerlingen met een Turkse of Marokkaanse afkomst hadden grote moeite met de minuut stilte die er op school werd gehouden voor de slachtoffers van de aanslagen, vertelt hij. „Ze wilden dan óók een minuut stilte voor geweld in Turkije.” Ook geloofden leerlingen niet dat de aanslagen écht gepleegd waren, het zou een set-up zijn van Israël en de CIA. „Als een leerling zoiets zegt, gaat de rest van de klas lachen. Ik heb toen beelden laten zien van de verdrietige ouders van een slachtoffer op de begrafenis. Na een tijdje gaven ze toe: u heeft gelijk, dit wisten we niet.”

Hij wil maar zeggen: onder felle uitspraken van scholieren zit lang niet altijd een innerlijke overtuiging. „Soms willen ze je gewoon fucken. Nadat een Turkse minister die in Rotterdam campagne kwam voeren de toegang tot Nederland werd ontzegd, liep de volgende dag de helft van de Turkse-Nederlandse kinderen in een trui rond met ‘Erdogan strijder’ erop. Leerlingen maakten in de gang het Grijze Wolven-gebaar. Spreek je ze later, dan zeggen ze: „Meneer, dat was gewoon stoer doen.”

De samenleving is uit elkaar gedreven en dat zien we

Er zit een hoop wrok bij islamitische leerlingen, denkt Halil Karaaslan. Hij was zelf twaalf jaar oud op 11 september 2001. „Mensen vroegen mij: ‘Waarom vliegen jullie gebouwen in?’ Ik dacht ‘huh, jullie?’”

Toen hij later zelf docent was, sprak hij leerlingen die op weg naar school van hun fiets waren getrokken na de aanslag op Charlie Hebdo. „Dat heeft een enorme impact.” Sommige leerlingen, merkt hij, snappen bovendien niet waarom er wél een minuut stilte wordt gehouden voor de Franse leraar, maar niet voor een aanslag op een school in Kabul. „Het helpt als je als docent de verbinding weet te maken. Het is allebei erg.” Hij wil de bedreigingen niet goedpraten, maar „realiseer je dat je de geschiedenis met je meeneemt als je cartoons toont in de klas. Bied context en probeer te begrijpen waarom sommige leerlingen zo fel reageren”.

Schotanus is zelf een keer online bedreigd. „Iemand had geschreven dat hij mij ging doodmaken. Ik zocht uit wie het was en confronteerde hem. Hij schrok: ‘Ik was gewoon gefrustreerd’, zei hij, ‘ik wilde u niet écht dood maken, meneer!’.”

Sociale media hebben veel impact op het werk van docenten, zegt Schotanus. „Vroeger had je een felle discussie in de klas en kwam er hooguit een moeder verhaal halen. Door sociale media kan álles wat er binnen een klas gebeurt direct in de buitenwereld belanden. Daar gaat het een eigen leven leiden. Je moet niet onderschatten hoe gevaarlijk dat is. Er hoeft maar één gek te lezen dat een leraar de profeet bespot, en je bent klaar...”