In de Parijse voetsporen van schrijvers

Parijs Het boek Met Parijse pen leidt je rond in het Parijs van bekende auteurs. Van Remco Campert tot Virginie Despentes en van Nelleke Noordervliet tot Patrick Modiano.

Foto Bart Koetsier

Je zou het een heimweeboek kunnen noemen. Met Parijse pen, Literaire omzwervingen van literatuurcriticus Margot Dijkgraaf en fotograaf Bart Koetsier maakt dat je de trein wilt pakken naar Parijs, je stapt uit op het Gare du Nord – en dan is er dit:

„Wie uit Amsterdam aankomt op het Gare du Nord, wordt overvallen door een gevoel van lichtheid, een zeldzame emotie van geluk, avontuur en vrijheid. Op het noordstation kijken mensen reikhalzend naar elkaar uit, er wordt innig omhelsd, er worden tranen gestort.”

Zo althans begint het hoofdstuk over Remco Campert, één van de tien schrijvers van wie Met Parijse pen de wederwaardigheden beschrijft: waar en hoe ze woonden in de stad, wat ze zagen als ze er rondwandelden, de manier waarop ze al die observaties verwerkten in hun boeken. Of wonen, wandelen en verwerken, want het betreft zowel overleden als nog levende schrijvers. Uit Nederland gaat het behalve om Remco Campert om W.F. Hermans, Nelleke Noordervliet en Adriaan van Dis. Uit Frankrijk zijn het Simone de Beauvoir, Michel Houellebecq, Patrick Modiano, Leila Slimani, Fred Vargas en Virginie Despentes. Tussen de teksten door staan tientallen foto’s van straatbeelden, soms ook van mensen binnen. De meeste van die foto’s zijn in zwart-wit, vaak stemmen ze licht melancholisch.

Bus 26

Per schrijver is er ook een kaartje met zijn of haar voetsporen door de stad, met hun witte strepen tegen een roze achtergrond lijken ook die afkomstig uit een oude stadsgids – of misschien wil je dat als lezer graag denken. Op het kaartje bij het hoofdstuk over Remco Campert zie je hoe hij zeventig jaar geleden voor zijn gedicht ‘Denkend aan Jacques Prévert en Joseph Kosma’ vanaf het Gare du Nord bus 26 nam, na de Rue La Fayette het Canal Saint-Martin overstak en uitstapte op de Rue des Pyrénées. Daar ging hij het huis binnen van de vrouw die in de loop van het gedicht zijn ex-geliefde blijkt te zijn. Teloorgegane liefde is het, zoals in Les feuilles mortes, het chanson van Yves Montand uit 1946 met tekst van Prévert en muziek van Kosma.

Margot Dijkgraaf heeft voor haar boek nóg een keer bus 26 genomen. Die rit gaat tegenwoordig zo: „Vrachtwagens geven gas, scooters schieten langs je heen, auto’s manoeuvreren zich door groepen verdwaasd om zich heen kijkende Aziaten, de herrie is oorverdovend. Op de bushalte, pal voor de supermarkt Carrefour, staan al veel mensen te wachten.”

Foto Bart Koetsier
Foto Bart Koetsier
Foto’s Bart Koetsier

Het boek brengt op deze manier niet alleen de stad heel dichtbij, maar ook het werk van de schrijvers – dat je en passant beter leert kennen, mocht je een boek of zelfs een hele auteur hebben gemist. Van Fred Vargas weet ik nu dat in haar thrillers „iets wat ogenschijnlijk normaal is, een mysterie verbergt”. Vargas laat in de stad moorden plegen in parken, op straathoeken en in hotelkamers. En natuurlijk is het dan vaak nacht, zoals het dat ook is op veel van de foto’s in het boek.

Want elke schrijver ziet een ander Parijs. Remco Campert bijvoorbeeld ondergaat er het niet geleefde leven, „tegen een romantische achtergrond verlangt hij terug naar wat nooit echt tot bloei kwam”. W.F. Hermans heeft in Parijs nauwelijks contact met Fransen, tegen Cees Nooteboom die hem komt opzoeken zegt hij: „Het leven is hier ook moeilijk. Niet zo makkelijk als veel mensen denken. En bovendien heb ik het heel druk, ik kom dikwijls dagenlang mijn kamer niet af.”

Ook hier is Margot Dijkgraaf gaan kijken: „Hermans en zijn vrouw Emmy nemen hun intrek in de Rue Théodule Ribot, een statige straat in nog steeds een van de duurste wijken van Parijs, in het 17de arrondissement. Het huis, met een klassieke zware houten deur voorzien van ijzeren beslag en een glimmend koperen handvat, ligt op loopafstand van de Place Charles de Gaulle-l’Etoile. Hermans hoeft vanuit zijn huis maar twee keer links af te slaan om in het prachtige park Monceau te belanden.”

Veel schrijvers wandelen voortdurend door de stad. Adriaan van Dis schreef er letterlijk De Wandelaar (2007) over, Michel Houellebecq wordt aangehaald met de uitspraak: „De ware schrijver moet lopen, urenlang, iedere dag.” Die opmerking maakte hij tijdens de coronacrisis op radio France Inter en inderdaad, schrijft Margot Dijkgraaf: „Houellebecqs ‘tableaux parisiens’ bestaan uit straten, pleinen, bars, supermarkten. In je verbeelding zie je hem door Parijs struinen, observerend, deducerend.”

Foto Bart Koetsier
Foto Bart Koetsier
Foto’s Bart Koetsier

Stilte en melancholie

Juist de wandelingen bepalen de sfeer in veel boeken. Neem Nobelprijswinnaar Patrick Modiano, in zijn oeuvre overheerst de sfeer uit het door de Duitsers bezette Parijs. Margot Dijkgraaf: „Wie een van Modiano’s romans openslaat, weet wat voor universum hij betreedt en welke gemoedsstemmingen hem te wachten staan. Hij belandt in een wereld van stilte en van melancholie, in de kronkels van een weggemoffeld, vaak beladen verleden, van waaruit slechts zwakke echo’s doorklinken tot in het heden.”

En zo komt de hele stad aan bod, in beeld, in schrift en in boeken die je nu misschien alsnog gaat lezen. Zoals het slotwoord samenvat: „Je kunt jezelf verliezen in deze stad, je kunt dwalen om te verdwalen, dingen vinden waarvan je niet wist dat je ze zocht, scènes ontdekken die je nooit eerder zag. Onder die prachtige bovenlaag, achter die glanzende façade, borrelt, leeft, stinkt, bloeit de stad. Geen wonder dat zoveel grote schrijvers er inspiratie hebben gezocht en gevonden.”

Margot Dijkgraaf en Bart Koetsier: Met Parijse pen, Literaire omzwervingen, Boom Uitgevers Amsterdam, 192 blz. 29,90 euro