Recensie

De nieuwe Marieke Lucas Rijneveld: hoogst uitzonderlijke literatuur

Recensie Marieke Lucas Rijneveld heeft zich als romancier enorm ontwikkeld, blijkt uit de nieuwe roman van de jonge schrijver. In Mijn lieve gunsteling (●●●●●) klinkt een stem van internationale allure.

Dít is het boek waarmee Marieke Lucas Rijneveld de International Booker Prize had moeten winnen. Mijn lieve gunsteling is rijper, gelaagder en geslaagder dan het zo bejubelde debuut De avond is ongemak. In de opvolger komt een kunstenaarschap geheel tot zijn recht, hier wordt een verhaal op eigenzinnige en overtuigende wijze verteld en met een volstrekt authentiek geluid in de wereldliteratuur ingebed. Hier klinkt een literaire stem van internationale allure.

En dat zeg ik als recensent die kritische kanttekeningen had bij de debuutroman waarmee de Utrechtse auteur Rijneveld (1991) dit jaar de Engelstalige literaire wereld veroverde, tot aan het winnen van de International Booker Prize toe, als eerste Nederlander en jongste schrijver ooit – tja, oordelen kunnen verschillen. Ik vond de vertelstem van de jonge hoofdpersoon van De avond is ongemak (2018) niet geloofwaardig, want enerzijds naïef en anderzijds zeer doorwrocht associatief en poëtisch. Daardoor gingen gezochte metaforen (die soms krakend door het ijs zakten) en logische onverklaarbaarheden tegenstaan, net als het verhaal, dat op al te eentonige wijze van zwart naar pikzwart ging.

Het was een roman die een beloftevol kunstenaarschap verraadde, een interessant vervolg op Rijnevelds poëziedebuut Kalfsvlies (2015), waaruit thema’s (verlies, trauma) en situaties (getergd boerenland) hernomen werden, maar die zijn grote ambities niet waarmaakte – vind ik nog steeds. Ik vermeld dat niet om mijn gelijk te halen, maar omdat die kritiek voor de nieuwe roman niet opgaat. Sterker: precies die punten – de vertelstem, de poëtische taal en de intrige – zijn nu de grootste krachten van Mijn lieve gunsteling. Rijneveld, die recent ook nog de bekroonde dichtbundel Fantoommerrie (2019) publiceerde, heeft zich als romancier enorm ontwikkeld. De nieuwe roman is niet minder dan verbluffend.

We begeven ons in Mijn lieve gunsteling op bekend terrein, op een Nederlandse boerderij die overschaduwd wordt door verlies. Ooit werd de zoon van de veehouder aangereden, zijn moeder verliet daarop het gezin en over bleven een stugge vader, een afzijdige zoon en een gevoelige, misschien wel het hevigst getraumatiseerde dochter met een wilde, verontrustende fantasie. Dat is het decor van heel Rijnevelds oeuvre, al verschillen de precieze details: we zijn in hetzelfde universum als in Rijnevelds eerdere roman en de dichtbundels Kalfsvlies en Fantoommerrie, maar in een ander verhaal.

Nu is de verteller een 49-jarige veearts die op dat erf regelmatig komt ‘klauwbekappen’ of een ‘tussenklauwspleet’ leegpeutert. In de zomer van 2005 laat hij zijn oog vallen op de boerendochter, veertien jaar. In zijn zangerige woorden ligt zij in ‘die halsstarrige zomer als een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens’. Hij droomt weg, terwijl zij gitaarliedjes tokkelt, bij ‘dat parelende, engelachtige stemmetje van je’, hij likkebaardt bij ‘je blonde haren als korenhalmen om je frêle gezichtje’, en denkt aan haar ‘wanneer ik een doorzichtige, oranjekleurige handschoen met schouderstuk aantrok, die met veterinair glijmiddel besprenkelde, met VetGel, en bij een dubbeldoelkoe via de schede naar binnen gleed, of wanneer ik mijn hand om de pootjes legde van zo’n glibberig in vlies gewikkelde kuis of bul en er zachtjes op het ritme van de weeën aan trok en met mijn andere hand geruststellend over de klamme flank van het moederrund wreef’.

Lolita

Dit bombast – de citaten zijn allemaal afkomstig uit één en dezelfde zin, die over vele pagina’s uitwaaiert, en de hele roman bestaat uit dit soort lange, eindeloos aaneengeschakelde zinnen – beperkt zich niet tot een onschuldige dagdroom. De veearts ‘had het liefst dat behoeftige nimfijne lijf van je omhelsd’. Nimfijn – een rechtstreekse verwijzing naar Humbert Humbert, de man die zich vergaloppeerde in een onontkoombare liefde voor een veel jonger, minderjarig meisje, in Lolita van Vladimir Nabokov. Mijn lieve gunsteling is dan ook een onmiskenbare Lolita-variatie: het relaas van de veearts volgt bovendien Nabokovs structuur van een schuldbekentenis, een apologie. Aan de ‘magistraten’, maar vooral aan haar, een smeekbede om vergiffenis en begrip. Ja, hij wordt dus gepakt, maar om de plot gaat het niet zozeer, het draait om het hóé. Rijnevelds roman bevat dan ook de dubbelzinnigheid van Lolita, dat misschien wel in de eerste plaats een liefdesverhaal wilde zijn. Hier wordt geweld aangedaan én waarachtig verlangd. Er wordt echte, weemakende vertedering gevoeld.

Marieke Lucas Rijneveld Foto: Merlijn Doomernik

En dat verhaal is gevormd naar de idiosyncratische mal van Rijneveld – Lolita plus koeien. Dat moederrund dat met de ene hand gepenetreerd wordt en met de andere hand gerustgesteld, is meteen al een perfecte metafoor voor de verhouding waar deze roman om draait. Het gaat om zorg en geweld, om een vleselijkheid die weerzin wekt én een nakende geboorte begeleidt. Dat, een geboorte begeleiden, is in zekere zin wat de veearts óók doet, in elk geval in zijn relaas. Hij ziet het ongeziene meisje, hij laat haar tot bloei komen, hij wakkert het verlangen in haar aan, geeft haar de liefde waarvan ze verstoken was. Met als doel haar voor zich te winnen, jawel, maar ach, zwak is zijn vlees, zo zwák, en brandend het vuur van zijn lendenen… Hij praat zich goed met haar ogenschijnlijke instemming, met de wederkerigheid die hij waarneemt. Het is seksuele grooming, helemaal volgens het boekje, maar de manier waaróp dat gedrag en dat verlangen uitgepluisd worden, in alle nuances die zowel afgrijselijk als voorstelbaar zijn, is zeer indrukwekkend.

De antagonist, het naamloze meisje, deelt met Jas uit De avond is ongemak dezelfde verlatingstrauma’s, de magische kinderopvatting dat zij het centrum van het universum zijn en de bijbehorende aangeprate schuldgevoelens. De veearts vertelt ook omstandig háár verhaal, probeert door te dringen tot de diepste krochten van haar ziel (ook een daad van liefde, zou je kunnen zeggen). Via hem horen we hoe zij ’s nachts in bed gesprekken over haar slechte inborst voert met Hitler en Freud, en hoe zij denkt, nee weet, nee erváárt te kunnen vliegen, zó vanaf de hoge voersilo in een duikvlucht over de akkers – een omineus beeld: haar gevoel van bevrijding beneemt hem (en de lezer) de adem. Maar voor haar is zoiets evenmin eenduidig: gemengd met haar betrekkingswaan levert dat vliegtalent ook het idee op dat zij op 11 september 2001 in het World Trade Center gevlogen is, en verantwoordelijk voor al die doden.

Een ‘jongensgeweitje’

Zwaar getraumatiseerd, zo complex dat het bijna onvoorstelbaar is. Maar dat dit personage niet de verteller (zoals Jas) maar de antagonist is, helpt haar geloofwaardigheid danig. Van een afstandje is ze bevattelijker: met de veearts zien we haar ideeën als haar wanen. Wat ook helpt: de fantasieën zijn niet enkel zwartgallig en nachtmerrieachtig; het gaat in Mijn lieve gunsteling ook om bevrijding en geluk. Al is het dan vermeend geluk – ‘ik wilde je zo graag laten zien dat je geen pijn nodig had om te mogen bestaan’, noteert de veearts ergens.

Dus leest hij haar ook voor uit Lieve Jongens van Gerard Reve, wanneer ze koortsig op bed ligt – en zo maakt zij kennis met het woord ‘gewei’, voor wat zich tussen jongensbenen bevindt. Dat wekt nog iets in haar: het sluimerende verlangen om een jongen te zijn, om zelf een ‘jongensgeweitje’ te hebben bungelen.

Dat verlangen mag ook geen verrassing heten: een ‘eigenheimer’ in Fantoommerrie wilde ‘net als alle andere/ jongens een uitloper’, en een paar gedichten later ging het over ‘de poppenhoek’, waar ze ‘voor het eerst zagen wat beter bij ons paste’ en ook al duikt daar trouwens een ‘voorleesvader’ op, van wie de verteller wil dat hij ‘zijn ogen// op mij gericht hield’, ‘ik wilde iemand die over mij zou heersen’. Voer voor autobiografische speculatie wellicht – maar het thema resoneert ook op een andere manier.

Lees ook het interview: ‘Ik heb schrijven nodig om overeind te blijven’

Zo groomt de veearts zijn gunsteling ook met de literatuur, van Shakespeare tot Proust en T.S. Eliot, tot Reve. Hij vertelt over boeken die de ware kennis bevatten, toont de waarheid over de wereld door voorbeelden uit de wereldliteratuur te noemen en die tot leidraad te nemen. Het meisje haalde haar kennis uit kinderboeken – herkenbare Nederlandse boeken, die trouwens bij Engelse titels worden genoemd, zoals het dorp ook (raadselachtig) steeds ‘The Village’ heet. De veearts zet daar serieuze literatuur van vermaarde mannen tegenover. Mannen – zoals Lolita ook het verhaal van een man vertelt, en zich niet bekommert om het perspectief, laat staan de beleving van het meisje.

Dat is wat mij betreft de sterkste zet van de roman: de intertekstuele verwijzingen trekken de buitenwereld de romanwereld binnen – in het Rijneveld-universum, dat voorheen ook iets had van een gesloten circuit. Het was literatuur die al bulkte, al overliep van beelden en betekenissen, en waar je als lezer dus niets aan hoefde toe te voegen. Je kunt je onderdompelen en laten meevoeren, schreef NRC eerder over Rijnevelds poëzie, maar werkelijk betrokken raak je niet, omdat de teksten je nauwelijks ruimte laten voor interpretatie.

Freud

In Mijn lieve gunsteling is die er wél, dankzij de verteller. De veearts vertelt háár verhaal, waarvoor hij als fundament en referentiekader de gecanoniseerde literatuur van onontkoombare mannen gebruikt – soms associeert de veearts morbide-bloemrijk als Wolkers, soms zoomt hij in als A.F.Th., voortdurend klinkt Nabokov door. En al die taal bepaalt het lot van het meisje, het naamloze meisje. Het eindpunt wordt bereikt wanneer Freud haar aanpraat ‘dat je vooral een geweitje wilde hebben om je sterk, stoer en machtig te voelen’. Dát gaat haar te ver.

Op dat punt wordt duidelijk welke macht de taal heeft, over haar, maar als lezer voel je ook: in het algemeen. De daad van liefde die de veearts zag in het vertellen van haar verhaal, in zijn woorden, is in feite weer machtsuitoefening. Hij vertelt haar verhaal prachtig, in die woest meanderende zinnen, die poëtisch en meeslepend zijn, waarachtig voelen, kloppen, geen metafoor gaat de mist in. Die kwaliteit bedwelmt je ook: met zijn mooie woorden, met zijn verklarende trauma-nachtmerries (zo macaber als de dromen van Frits van Egters), met zijn apologie, wint de verteller je voor zich, en doet je geloven in de liefde. Terwijl die ‘liefde’ háár geen speelruimte laat. Het genot dat je als lezer voelt, toch al deels griezelen en afgrijzen, wordt zo ook schuldig genot. Wanneer een monster iets moois maakt, laat je dan het mooie of het monsterlijke prevaleren?

‘Maybe, in the end it’s the voice that tells the stories more than the stories themselves that matter’, citeert het meisje Stephen King aan het einde van de roman. Zij heeft zich dan tot singer-songwriter ontwikkeld en in het Engels de ruimte gevonden om haar verhaal te vertellen. Misschien is dat een verklaring voor die raadselachtige verengelste namen en begrippen; dat die laten zien dat het meisje tóch de regie over dit verhaal voert. Ze kan dat, want ze is een ster van wereldformaat.