Recensie

Recensie Boeken

Crisis? Zet de geldpers maar lekker aan

Economie De coronacrisis zal een monetaire klassenstrijd doen opleven: moeten schulden worden afbetaald, of is dat van later zorg? Twee nieuwe boeken vertegenwoordigen de beide polen.

Luchtfoto van lege straten in de Griekse stad Thessaloniki, waar afgelopen week tijdens de lockdown een avondklok is ingevoerd.
Luchtfoto van lege straten in de Griekse stad Thessaloniki, waar afgelopen week tijdens de lockdown een avondklok is ingevoerd. Foto EPA/DIMITRIS TOSIDIS

De wereld van de overheidsfinanciën staat al een tijdje op zijn kop. Regeringen en centrale banken pompen ongekende hoeveelheden geld in de economie om een harde corona-crash te voorkomen. Als gevolg nemen overal de overheidsschulden met grote sprongen toe. In Nederland wordt een begrotingstekort verwacht van 7,6 procent. Wereldwijd verwacht men een gemiddelde van 14 procent en dat was nog voor de tweede golf.

Hoe gaan we dit allemaal betalen? In haar geruchtmakende boek The Deficit Myth, betoogt Stephanie Kelton dat we ons daarover niet al te veel zorgen hoeven te maken. Het is een controversiële stelling, die totaal haaks staat op het bestaande denken over de openbare financiën. Maar Kelton verdedigt haar argument op overtuigende en verrassend toegankelijke manier.

Vaak vergelijken we de overheidsbegroting met die van een huishouden. Ministers van Financiën spreken dan ook over het “huishoudboekje van de staat”. Maar er is een belangrijk verschil. Overheden geven een eigen munt uit. In tegenstelling tot huishoudens of bedrijven, kunnen overheden geld bijdrukken.

Volgens Kelton leven overheden vandaag de dag niet boven, maar onder hun stand. Als de overheid haar macht als geldschepper op de juiste wijze zou inzetten, wordt het mogelijk om ambitieus progressief beleid te financieren, zoals een mondiale Green Deal en een beleid van volledige werkgelegenheid. Of een meerjarig corona-herstelpakket, om even bij de actualiteit te blijven.

Dit betekent niet dat geldschepping geen grenzen kent. Als er te veel geld in de economie gaat circuleren, ontstaat inflatie. Om dat tegen te gaan, moet de overheid weer geld aan de economie onttrekken, door extra belastingen te heffen en begrotingsoverschotten te creëren. We leven echter in een tijd van structureel lage inflatie, waardoor economen zich nog eerder zorgen maken over deflatie.

De geldpers aanzetten om leuke dingen voor de mensen te financieren, het klinkt allemaal te mooi om waar te zijn. Een belangrijk voorbehoud is dat het land in kwestie wel controle moet hebben over de eigen munt. Stephanie Keltons boek richt zich op de Verenigde Staten. Het is de vraag hoe representatief dat land is. Aangezien de dollar dienstdoet als wereldwijde reservemunt, kunnen de Verenigde Staten zich veel meer veroorloven dan andere landen. Er is immers altijd vraag naar de dollar.

Geldpolitieke strategie

Stephanie Kelton is een adviseur van de Amerikaanse senator Bernie Sanders. Ze vormt onderdeel van een economische stroming die Modern Monetary Theory (MMT) heet, een ketterse beweging binnen de economische wetenschap. De stroming wordt door critici belachelijk gemaakt als Magic Money Tree. Maar er zijn ook andere geluiden te horen. Zo stelde ECB-voorzitter Mario Draghi een jaar geleden dat MMT serieuze studie verdient. De Duitse krant Die Welt beweert zelfs dat de geldpolitieke strategie van het ECB inmiddels op het ‘modieuze’ MMT is gestoeld.

In feite is de MMT-stroming het progressieve spiegelbeeld van de monetaristen, die in de jaren zeventig furore maakten met hun pleidooi voor een restrictief monetair en fiscaal beleid. De monetaristen werden toentertijd ook als excentriek gezien, maar bleken al snel bijzonder invloedrijk. Onder leiding van de Amerikaanse econoom Milton Friedman, zouden ze een belangrijke invloed uitoefenen op het beleid van Thatcher, Reagan en de Duitse Bundesbank. Voorlopig ontbreekt het MMT echter nog aan een dergelijke politieke vertaling.

Een tegengestelde visie vinden we in het boek van Nout Wellink, Ontgelden. Dat mag geen verrassing heten. Wellink maakte carrière als begrotingshavik op het ministerie van Financiën in de jaren zeventig. Hij werd vervolgens directielid en president bij de Nederlandsche Bank (DNB) in de jaren tachtig en negentig. Samen met de Duitse Bundesbank staat DNB internationaal bekend om haar strikte monetaire filosofie, deels geïnspireerd op het monetarisme.

De lof van Wellink

Wellink heeft weliswaar ‘niets dan lof’ voor het ruime monetaire beleid van de ECB, dat het uiteenvallen van de euro heeft voorkomen. Hij waarschuwt echter meermaals voor een scenario waarin grootschalige geldschepping het nieuwe normaal zal worden. ‘Latijns-Amerikaanse inflatietoestanden zullen dan ons deel worden.’ Een pijnlijke verkrapping van het monetaire beleid op middellange termijn is in zijn ogen dan ook onvermijdelijk. De crux van het probleem, volgens Wellink, is dat overheden zelf te weinig doen in reactie op de crisis, en de Europese Centrale Bank het vuile werk laten opknappen. Het antwoord op de nieuwe schuldencrisis zal uiteindelijk van nationaal beleid moeten komen.

Vooral de situatie van zuidelijke landen als Italië is zorgelijk. Wellink stelt dat een Europees Marshallplan van meer dan 800 miljard dollar nodig is om Zuid-Europese landen weer op een solide groeispoor te krijgen. Dit is uiteindelijk ook in het belang van het noorden, omdat imploderende handelspartners de sterkere landen zullen meeslepen in hun val. Tegelijkertijd echter, heeft Wellink ernstige twijfels over de effectiviteit van ruim fiscaal (en monetair) beleid. Hij werkt zijn Europese Marshallplan dan ook nauwelijks uit.

Wellink biedt een weinig rooskleurige toekomstblik: we zullen door de crisis blijvend armer worden en moeten ons gaan aanpassen aan een structureel lager welvaartsniveau. Zijn belangrijkste boodschap is dat het onvermijdelijk is dat landen binnen de Europese Unie hun schuldenlast gaan delen en gezamenlijk gaan afbouwen.

De vraag is of politici, die jarenlang de tegenstellingen tussen noord en zuid kunstmatig dik hebben aangezet, het politieke kapitaal hebben voor een dergelijke stap.

China

Het is tekenend dat Wellink zijn enthousiasme bewaart voor China. Wellink is sinds december 2018 lid van de raad van bestuur van China’s grootste staatsbank, ICBC. Hij is zeer te spreken over de langetermijnplanning, schaalgrootte en assertiviteit van het Chinese beleid. Europa steekt er bleekjes bij af. Soms schrijft Wellink zelfs op een toon die in een Chinese staatskrant niet zou misstaan. ‘In hem moet een verzengende ambitie en een ongekend vuur branden om de belangen van zijn geliefde land te behartigen’, stelt hij over de Chinese leider Xi Jinping.

De zwakte van Ontgelden is dat het een beetje een allegaartje is. Wellink behandelt de coronacrisis, de kredietcrisis van 2008, technologische innovatie in de financiële sector, veranderend bankentoezicht en de opmars van China als wereldmacht. Wat meer focus was welkom geweest.

Zoals de econoom Robert Skidelsky stelt in zijn recente boek Money and Government is er al tijden een half verborgen klassenstrijd gaande in het monetaire beleid. Aan de ene kant zijn er de crediteuren, die willen dat geld zijn waarde behoudt en schulden worden afbetaald. Zij hechten prioriteit aan prijsstabiliteit. Aan de andere kant zijn er de debiteuren, die geldschepping en geldontwaarding juist verwelkomen en simpelweg hun rekeningen willen kunnen betalen. Zij hechten prioriteit aan werkgelegenheid. De boeken van Wellink en Kelton vertegenwoordigen de beide polen in dit debat. De komende schuldencrisis, zoveel is duidelijk, zal deze monetaire klassenstrijd opnieuw doen opleven.