Supermarkt mag toch geen medicijnen verkopen met een drogist die via een tablet beschikbaar is

geneesmiddelen Zonder de aanwezigheid van deskundig personeel mag AH geen medicijnen meer verkopen, oordeelt de Raad van State.

Foto Katya Degtyareva / Getty Images

De Raad van State heeft woensdag een streep gezet door de verkoop van middelzware geneesmiddelen door supermarktketen Albert Heijn. Volgens ’s lands hoogste bestuursrechter is de supermarktketen wettelijk verplicht om geschoold personeel aanwezig te hebben dat voorlichting over medicijnen kan bieden. De oplossing van Albert Heijn -een verbinding met een expert via een tablet bij het geneesmiddelenschap - voldoet niet.

In Nederland wordt jaarlijks voor zo’n 800 miljoen euro aan zelfzorggeneesmiddelen verkocht. Deze middelen kunnen door consumenten zonder doktersrecept worden aangeschaft. Het College ter beoordeling van geneesmiddelen verdeelt ze onder in drie categorieën: algemene verkoop, uitsluitend verkoop door apotheek en uitsluitend verkoop door apotheek én drogist.

De zaak rond Albert Heijn richt zich op die laatste groep. Wie dergelijke geneesmiddelen - zoals zware hoestdrank of pijnstillers met hoge dosering - verkoopt, moet aan verschillende wettelijke verplichtingen voldoen. Zo dient in de winkel een gediplomeerde (assistent)-drogist aanwezig te zijn om voorlichting over de medicijnen te geven. Kruidvat, bijvoorbeeld, meldt 3.900 dergelijke gediplomeerde medewerkers in dienst te hebben.

De Albert Heijn-filialen die centraal stonden in de rechtszaak hadden weliswaar medewerkers in dienst met een voltooide mbo-opleiding tot (assistent)-drogist, maar die waren niet gedurende de openingsuren aanwezig. Albert Heijn loste dat virtueel op: door een tablet met telefoon bij het medicijnschap voor contact met een drogist op afstand.

Zowel de Consumentenbond als het Instituut Verantwoord Medicijngebruik keerde zich tegen deze sinds 2017 door Albert Heijn in 400 winkels ingevoerde virtuele assistentie bij de medicijnverkoop uit het winkelschap. De organisaties zagen gezondheidsrisico’s en benadrukten het belang van de aanwezigheid van een deskundig persoon die uitleg kan geven over bijwerkingen en de wisselwerking tussen medicijnen.

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het ministerie van Volksgezondheid schaarden zich juist achter Albert Heijn. De kwestie belandde bij de Raad van State nadat het Centraal Bureau Drogisterijbedrijven (CBD), een koepelorganisatie voor ’s lands 2.300 drogisterijen, drie jaar geleden een handhavingsverzoek indiende bij het ministerie van Volksgezondheid. De minister en Inspectie weigerden echter in te grijpen. Volgens hen was de virtuele drogist van Albert Heijn wél in overeenstemming met de Geneesmiddelenwet.

Nadat de rechtbank Midden-Nederland de minister gelijk gaf, stapte de drogisterijenkoepel naar de Raad van State. Die gaf de drogisten woensdag wél gelijk. Volgens de hoogste bestuursrechter volgt uit de Geneesmiddelenwet dat er in het verkooppunt voldoende (assistent)-drogisten fysiek aanwezig moeten zijn om voorlichting te geven.

Het CBD reageert verheugd op de uitspraak. „Zelfzorggeneesmiddelen horen niet tussen de koteletten thuis”, zegt een woordvoerder. Het CBD zegt de procedure omwille van de veiligheid voor medicijngebruikers te zijn begonnen, niet omdat drogisten extra concurrentie van Albert Heijn ondervonden. Hij stelt geen probleem te hebben met de concurrentie als de supermarktketen zich aan de wettelijke personeelsverplichtingen houdt.